Column uitgesproken op de 173ste ALV op 13 april 2012
Een loopbaan in de bosbouw, al lerende de mist in
In 1956 kwam ik op de voorlichtingsdag van de Landbouwhogeschool in aanraking met Prof. Houtzagers. Ik werd geweldig enthousiast voor het vak bosbouw. Mijn familie vond dat ik in dit vak weinig zou verdienen. In de loop van mijn studie en eerste baan trof ik nog enkele grootheden (Leibundgut, van Miegroet, van Goor…). Maar daarna is het opgehouden. Ons vakgebied ontbeert ondertussen jammerlijk dergelijke inspirerende leermeesters. Tijdens stage in Drente bij houtvester van Broekhuizen, kreeg ik de gelegenheid allerlei praktische bosarbeid te doen. Van Broekhuizen stuurde me daarnaast het veld in om de bodemgeschiktheid te beoordelen voor een optimale houtproductie. Dit waren facetten van het leerproces, die nog lang daarna hun betekenis hielden. Ik mocht niet ten zuiden van het Oranjekanaal komen. Daar heersten namelijk de bosbouwkundige opvattingen van houtvester Blokhuis, die met het rationele denken van van Broekhuizen weinig van doen hadden. Later heb ik, samen met prof van Miegroet uit België, Blokhuis in Emmen kunnen bezoeken. Die twee gezaghebbende houtvesters trokken weliswaar niet gezamenlijk op, maar hun object van discussie was wel het bos waarvan, volgens beiden, de bomen hout moesten produceren. Al geruime tijd gaat het in ons vak daar nauwelijks meer over. Bos moet nu volgens veel vakgenoten worden omgevormd of aan zijn lot overgelaten. Het gebrek aan integratie van economische en ecologische denkbeelden is nu de achilleshiel van de bosbouw.
Voor mijn buitenland stage ging ik naar Zweden. Daar begon ik als assistent bij het vergelijkend onderzoek naar transport van hout via de toen klassieke methode van uitslepen met paard en houtvlotten en een moderne methode met tractoren en vrachtwagens. Bij het houtvlotten werd gebruik gemaakt van een signaleringssysteem met rode en witte vlaggen. Mobieltjes zouden dat niet beter hebben gedaan. In mijn loopbaan ben ik vaak in situaties gekomen waar technologische aanpassingen (vooral ICT) aan de orde waren. Steeds achteraf vaststellend dat de argwaan voor suggestieve verbeteringen terecht was. Er werd meer ellende geschapen dan oplossingen.
Als er opstoppingen bij het houtvlotten ontstonden was het mijn taak deze met dynamiet op te ruimen.Veiligheidsvoorschriften waren beperkt, je behoefde alleen te roepen dat de lont was aangestoken. Je had wel iemand nodig die hard weg kon lopen. Dat kon ik. Ondertussen zien we ingewikkelde protocollen voor veiligheid in ons vakgebied ontstaan, waarbij het protocol doel is geworden en vakwerk niet meer aan de orde is. Als je zo met dynamiet moet werken (zonder eisen ten aanzien van ‘hard te kunnen lopen’) zou dat zeer riskant zijn.