Home >> Artikelen >> Bosverjonging: doel of middel?

Artikelen

Verslag najaarsexcursie Pro Silva 2013

Bosverjonging: doel of middel?

Een Verslag van Pro Silva door Wouter Delforterie
Met bijdragen van Ido Borkent, Mark Karsemeijer, Nienke Moll, Ronald Sinke en Anton Vos
Gepubliceerd op . Er zijn geen reacties.

Op 9, 10 en 11 oktober 2013 vond de Pro Silva najaarsexcursie plaats in Boswachterij Ruinen (Drenthe). Het thema van de excursie was 'Bosverjonging: doel of middel?' Gedurende de drie excursiedagen namen er in totaal 116 personen deel aan de excursies. Het is een goed geslaagde excursie geworden. Het onderwerp werd door veel bezoekers zeer gewaardeerd.

De boswachterij is een relatief jonge ontginning en bestaat voor een aanzienlijk deel uit opstanden van eerste generatie Japanse lariks en fijnspar, aangeplant tussen 1940 en 1960. In 2012 is een steekproefsgewijze inventarisatie (SyHI) uitgevoerd waarbij duidelijk werd dat de bijgroei in vooral de Japanse lariks- en fijnsparopstanden sterk is teruggelopen ten opzichte van de inventarisatie uit 1998. Belangrijkste oorzaken voor de teruglopende bijgroei zijn het ouder worden van het bos en het doordunnen van de opstanden. Naar aanleiding van deze inventarisatiegegevens en door de toegenomen aandacht bij Staatsbosbeheer voor bosverjonging, is voor de boswachterij een kap- en verjongingsplan opgesteld waarin onder andere het verjongen van een groot deel van de Japanse lariks en fijnsparopstanden is opgenomen.

In de gebruikelijke discussiegroepen zijn twee Japanse lariksopstanden en twee fijnsparopstanden bezocht met als vragen:

  • Wanneer is het bos aan verjonging toe?
  • Op basis van welke argumenten wordt besloten een opstand te verjongen?
  • Hoe wordt het verjongen van de opstand aangepakt?
  • Wordt verjongd met gebruik van natuurlijke verjonging, door aanplant of door een combinatie van beiden?

Natuurlijk werd de discussie gevoerd met als uitgangpunt de bekende Pro Silva groene-kaart aspecten als evenwicht in functie, bedrijfszekerheid, flexibiliteit en diversiteit.

Japanse lariks

De Japanse lariksopstand bestaat uit deels opgesnoeide Japanse lariks uit 1941 (vak 27) van goede vitaliteit. De opstand is altijd stevig gedund wat mede heeft geleid tot een massale spontane verjonging van Japanse lariks in de ondergroei, die inmiddels de late stakenfase heeft bereikt. De tweede Japanse lariksopstand (vak 64) is 10 jaar jonger en de spontane verjonging is hier lager. De vitaliteit van deze volwassen lariks is echter veel minder en de opstand is meer open dan de eerder bezochte lariksopstand. De verjonging in de laatste opstand is meer gemengd, echter weinig inheemse (loof)boomsoorten zijn aanwezig. Belangrijkste argumenten voortkomend uit de discussie om te gaan verjongen in de lariks waren:

  • De bijgroei van de opstanden loopt terug (van 8,5 naar 6,6 m3/ha./jr.)
  • In de eerste opstand zijn de bomen al ongeveer 60 centimeter dik en de waarde per kubieke meter neemt nauwelijks meer toe.
  • In de tweede opstand (vak 64) is de achteruitlopende vitaliteit van de oude opstand een belangrijke reden om te gaan verjongen. Bovendien biedt de gemengde onderetage (nu nog) kansen om andere soorten dan lariks in de opstand te houden.
  • Er staat inmiddels een nieuwe bosgeneratie onder het oude bomenbestand. Met name in de eerste opstand, is deze nieuwe generatie er aan toe om verzorgd te worden. De verzorging bestaat uit het aanwijzen van t-bomen en vrijzetten van de kwaliteit door te dunnen in het jonge en oude bomenbestand.

De aanwezigen waren het er overwegend over eens dat het belang van deze argumenten uiteindelijk bepaald wordt door het functioneren van de opstanden ten opzichte van de totale boswachterij. Het aanbieden van meetgegevens werd door de deelnemers als prettig ervaren voor de discussie. Vanuit dat perspectief is de noodzaak tot verjongen groter in de jongere opstand, omdat hier al enkele bomen aan het afsterven zijn en in die zin het aanwezige kapitaal afneemt. De eerste opstand neemt nog slechts beperkt in waarde toe, en er gaat geen waarde verloren door hier nog niet te gaan verjongen. Wel kan hier overwogen worden om al een eerste keer in te grijpen in de verjonging om de stabiliteit van de nieuwe toekomstbomen te versterken voordat de schermbomen worden verwijderd. Een opvatting is om hier door te gaan met wat je nu hebt, en je te richten op kwaliteit zowel in boven- als onderetage en te werken aan stabiliteit. Dit is het meest kostenefficiënt. Durf geduld op te brengen, stel vitale mengboomsoorten vrij, gooi geen kwaliteit vroegtijdig weg en het bos wordt dan al flexibeler en duurzamer.

Een kleinschalig experiment in een deel van de eerste opstand laat zien, dat wanneer een verjongingskap wordt uitgevoerd waarbij het de ambitie is om een deel van de verjonging in de ondergroei te sparen, het naast een goede planvorming een intensieve begeleiding van de uitvoering van belang is. Door onvoldoende instructie aan de harvestermachinist is hier weinig verjonging gespaard en de stabiliteit van de resterende verjonging matig. Om, indien gewenst, het aandeel inheemse (loof) boomsoorten in beide opstanden te vergroten, is het nodig om bij te planten met bijvoorbeeld linde, beuk en zomereik. Ook is gesproken over nut en noodzaak van kleinschalige introductie van een tweede productieve soort (douglas): als zaadbron of eventueel als plugplantsoen. Daar liepen de meningen over uiteen.

Fijnspar

Zowel de bijgroei als de vitaliteit van de oudste fijnsparopstand uit 1937 (vak 35) was matig. Of de kiemplanten fijnspar ook door zullen groeien werd bediscussieerd in deze opstand. De tweede fijnsparopstand, uit de jaren vijftig (vak 54), had bij de vorige inventarisatie nog een aardige bijgroei van circa 8-10 m3/ha/jr., nu is dat voor deze leeftijdsklasse nog maar 6,6 m3/ha/jr. Onder het scherm van fijnspar komt soms weinig verjonging voor door droogte, lichtgebrek, een dikke strooisel- en moslaag of een combinatie van deze factoren. De aanwezigen zien voor beide opstanden voldoende aanleiding om in te grijpen ten behoeve van de verjonging, bijvoorbeeld via groepenkap met als aanknopingspunt de vitaliteit van de betreffende boomgroep. Wederom werd het functioneren ten opzichte van de volledige boswachterij hierbij als doorslaggevend gezien. Onder andere de recreatieve waarde van de opstanden, door totale afwezigheid van ondergroei, werd als mogelijk argument aangereikt om ingrijpen ten behoeve van verjonging in de eerste opstand uit te stellen.

In de tweede fijnsparopstand (vak 54) is door een combinatie van eerdere kleinschalige ingrepen, stormschade en letterzetter een relatief groot verjongingsgat van ongeveer 1,80 ha ontstaan. Door de grillige vorm van het gat is de verjongingsplek echter nergens erg breed waardoor onder andere veel fijnspar in de halfschaduw heeft kunnen kiemen. In de meer open delen is meer berk, grove den en Japanse lariks gekiemd. De berk komt slechts in lage aantallen (wildvraat) op. Lokaal zijn kleine hoeveelheden douglas ingebracht. Een object om blij van te worden. Een bos met structuur, een gemengde verjonging en dood hout. Een minpuntje is het ontbreken van loofhout en de aanwezigheid van vooral zure soorten. Berk werd opgevreten, andere (basische) loofsoorten waren er niet tot nauwelijks. Ook hier mooi te zien hoe fijn het is om fijnspar in je bos te hebben. Een handige soort om mee te werken aan een gemengd gelaagd bos dat winstgevend is. Namelijk geen storende grasmat, veel verjonging, geen belemmerde bovenetage en wel houtvoorraad in de bovenetage en een eik met veel toekomstperspectief, die zich prachtig heeft kunnen handhaven in een (voormalige) monocultuur fijnspar. De aanwezigen waren positief over de ingreep. Er is redelijk grootschalig gewerkt zonder dat de ingreep grootschalig overkomt en er is een gemengde verjonging aan het ontstaan. Ook geeft de ruimtelijke verdeling van de ontstane verjongingsplek de gelegenheid om in de toekomst de overige opstand te oogsten zonder de verjonging op de verjongingsplek te beschadigen. Anderzijds is het ook waardevol als delen van de voormalige opstand nog een hele tijd kunnen meegroeien in de nieuwe opstand, zodat een ongelijkjarig bos ontstaat waarin de bosgeschiedenis nog is ‘terug te lezen’. Met name speelt dat voor de vitale, goed groeiende zomereik. Bovendien is deze open plek een grotere diversiteit aan kruiden en fauna, horend bij kapvlaktes. Hoewel tijdelijk van aard is het een belangrijk element van het bosecosysteem. Ook op deze locatie geldt dat wanneer het gewenst is om het aandeel inheems (loof)hout in de nieuwe generatie bos te verhogen, het inbrengen van dergelijk plantsoen noodzakelijk zal zijn.

Reacties

Er zijn nog geen reacties.