Home >> Artikelen >> De beuk, van onder tot boven

Artikelen

Mini-Symposium najaar 2006

De beuk, van onder tot boven

Een Verslag van de Activiteitencommissie door Jop de Klein en Irma Corten
Gepubliceerd op . Er zijn geen reacties.

In Nederland komt de beuk, de "moeder van het woud", steeds meer voor. Reden genoeg om tijdens het minisymposium na de KNBV-najaarsvergadering op 3 november 2006 de beuk vanuit verschillende kanten te belichten.

Patrick Hommel van Alterra legt uit dat bosontwikkeling soms te beïnvloeden met de boomsoortenkeuze, maar vaak ook voorbestemd is door de grondsoort. René Olthof van het Kroondomein laat zien dat de beuk mogelijkheden heeft om veel verschillende functies te vervullen. Jeroen Glissenaar, parkbeheerder in Arnhem, vertelt over de binding die de bewoners van de stad Arnhem hebben met Sonsbeek en de beuk. In de wandeling in het park Sonsbeek kwamen deze verschillende aspecten samen.

De zuilen van Sonsbeek
De zuilen van Sonsbeek. Foto Jeroen Glissenaar

De vegetatiekundige benadering

Is het de bodem die de ontwikkeling van het bos, de (boom)soorten daarin en het eindbeeld van de successie bepaalt of is het juist andersom? Kun je met de boomsoortenkeuze de ontwikkeling van de bodem, de vegetatieontwikkeling en vervolgens het eindbeeld van de successie beïnvloeden? Volgens Patrick Hommel, vegetatiekundige en ecoloog bij Alterra, speelt de relatie tussen de boomsoort en de strooiselkwaliteit een sleutelrol. De effecten van de boomsoort(enkeuze) voor de strooiselkwaliteit en vervolgens de vegetatieontwikkeling blijken verschillend per grondsoort.

Op zandgronden verlopen ontwikkelingen eerst snel dan traag, Natuurlijke verjonging is afhankelijk van het successiestadium, en het eindstadium is beukenbos. De belangrijkste sturende factor is het humusprofiel. Deze zorgt ervoor dat, wanneer eenmaal de kans gegeven, de beuk het eindstadium vormt van de bosontwikkeling. Dit komt omdat in het strooisel van beukenblad op een gegeven moment een schoensmeerlaagje - een smeuïg humuslaagje - ontwikkelt waarin alléén maar beukjes gedijen.

Op kleigronden verloopt de vegetatieontwikkeling geheel anders. Hier is het volgens Hommel vanaf het begin een grote bende. Er is een snelle ontwikkeling naar een hoge biomassa (ruigte) waarin bomen zich kunnen vestigen. Als de ruigte iets open breekt komen de es en de esdoorn aan bod, de beuk speelt geen rol van betekenis. Ontwikkelingen gaan zeer traag, natuurlijke verjonging is niet afhankelijk van het successiestadium. De belangrijkste sturende factor is het moedermateriaal.

Interessant is de reeks die zich manifesteert op lemige gronden en leemhoudende zandgronden. De bepalende factor daarin is de boomsoortkeuze. Dit geeft de bosbeheerder een mogelijkheid de ontwikkeling te sturen in de gewenste richting. De ontwikkelingen gaan relatief snel en natuurlijke verjonging is afhankelijk van boomsoortkeuze. Het eindstadium is ofwel essen-esdoornbos, ofwel beukenbos. De belangrijkste sturende factor is de boomsoortkeuze.

Vooral op de stuwwallen op de Veluwe kan de bosbeheerder dus kiezen, tussen twee zichzelf versterkende processen. De ene leidt tot een vegetatiekundig arm beukenbos en de andere tot een vegetatiekundig rijk essen-esdoornbos. Sturen kan met de boomkeuze. Beuk, eik, tamme kastanje of naaldhout leiden tot arm strooisel: arm wordt armer. Er ontstaat een schoensmeerlaagje, waar op een gegeven moment alleen beuken ontkiemen. Linde, iep, es, hazelaar en esdoorn leiden tot goed afbreekbaar rijk strooisel: rijk wordt rijker. In deze ontwikkeling speelt de winterlinde een sleutelrol. Deze soort zorgt voor een dermate goede strooiselvertering dat de ontwikkeling al heel snel in een gunstige richting beweegt. Op een locatie bij Doorwerth op de zuidelijke Veluwezoom is heel goed te zien dat aanplant van winterlinde heeft geleid tot een rijke bodem met onder andere bosanemoon. Hommel meent dat dit al op zandgronden met 13% leem mogelijk is.

De functionele benadering

René Olthof, beheerder van het Kroondomein vertelt ons over zijn ervaringen met de beuk en zijn verwachtingen. In zijn eerste dia's laat hij zien dat de beuk zich op de arme zandgronden op een gegeven moment vestigt in het grovedennen- en eikenbos. In de ontwikkelingsreeks van Patrick Hommel betekent dit dat er op den duur een beukenbos ontstaat dat zich lange tijd handhaaft, dankzij het schoensmeerlaagje in de humuslaag. Olthof meent dat de beuk een prettige soort is om een veelzijdig functionerend bos te ontwikkelen maar geeft daarbij ook een aantal bedenkingen.

Beuk heeft voordelen voor de productiefunctie. Hij is makkelijk te combineren met productieve soorten als douglas, lariks en Amerikaanse eik en zelfs esdoorn. Beuk is makkelijk te verjongen: kleinschalig, in bestaande bossen met genereren van extra houtproductie. Hij biedt goede afzetmogelijkheden voor fineerhout, zaaghout, vloerenhout, pallethout en brandhout, waarbij hij bij slechte kwaliteit toch nog een relatief goede prijs genereert in de vorm van brandhout en pallethout. In vergelijking met eik heeft beuk weinig last van waterlot.

Daartegenover benoemt hij ook een aantal nadelen. De houtproductie komt relatief laat op gang. Het telen van topkwaliteit is niet overal even simpel, onder meer in verband met het risico op verkleuring van de kern van het hout. Beuk is relatief rotgevoelig; de beheerder moet dus alert zijn en op tijd kwaliteit oogsten. Prachtige stammen vallen vaker dan bij naaldhout soms ten prooi aan bijvoorbeeld zwarte specht. De markt is relatief grillig.

De nadelen voor de houtproductiefunctie van het bos zijn in Olthofs ogen voordelen voor de natuurfunctie. In beukenbomen, vooral als ze wat ouder worden, ontstaan veel holtes die ruimte bieden aan verschillende soorten vogels en andere holtebewoners. Als beheerder van een beukenbos is het relatief makkelijk om flinke hoeveelheden dood hout te realiseren, dat ook nog eens veel verschillende soorten aan zich bindt. Olthof heeft ervaren dat het in een beukenbos gemakkelijk is om een gelaagd bos te maken door te spelen met licht.

Bij het bespreken van de nadelen van de beuk voor de natuurfunctie raakt hij aan de inleiding van Patrick Hommel. Immers, het dominante karakter van de beuk op de zandgronden zorgt ervoor dat andere soorten zich niet of nauwelijks kunnen handhaven in het bos en dat er van een kruid- of struiklaag ook geen sprake is.

Olthof concludeert dat een bosbeheerder goed uit de voeten kan met de beuk als hij maar durft te sturen en het systeem naar zijn hand zet. Het is eigenlijk een ideale soort om natuur en houtproductie te combineren. De soort kan goed samen met douglas, Amerikaanse eik, Japanse lariks en berk bos vormen, waarbij de prettige bosbeelden ook nog eens behoorlijke productie- en natuurwaarden in zich bergen.

Niets gedaan na de storm van 1990
Niets gedaan na de storm van 1990. Foto Jeroen Glissenaar

De beuk in een monumentaal park

Jeroen Glissenaar, beheerder monumentale parken van de gemeente Arnhem, schetst de ontwikkeling van park Sonsbeek. Het stadspark is aangelegd in de Engelse landschapsstijl. Het dateert uit 1645 en is aangekocht door de gemeente Arnhem in 1899. Van de circa 34 hectare bos is ongeveer 24 hectare beuk. Het park is vanouds bekend als beukenhallenbos: hoog opgaande bomen met redelijk lange takvrije stammen en zonder ondergroei. Zo staat het in de herinnering van de Arnhemmers gegrift en dat zoekt de bezoeker van het park.

Het beukenbos dateert van 1817 en is op een gegeven moment in een langdurige stabiele fase gekomen waarmee Sonsbeek bekend is geworden. Dit bos is in de laatste jaren erg veranderd. Deze verandering is ingezet met de storm van 1990. De angst bestond dat dit het begin van het einde van het oude bos op Sonsbeek was. Het tegendeel blijkt echter het geval, hoewel het beeld hier en daar wel erg veranderd is. Vanaf 1990 is beheerd op basis van een visie op de ontwikkeling van het bos. Deze visie maakte het noodzakelijk om maatregelen te nemen om het bos geleidelijk te verjongen. Dit heeft als resultaat dat pleksgewijs het beeld van het hallenbos wordt doorbroken. Voor sommigen is dat wennen. Maar er zijn nu wel ontwikkelingen te zien van zich spontaan vormend jong bos. Glissenaar meldt dat er in 1990 nergens verjonging was te vinden in Sonsbeek, maar nu in 2006 is dat bijna in het gehele bos. De reden daarvan is niet helemaal duidelijk. Waarschijnlijk is er onder invloed van de dunningen zoveel licht op de bodem gekomen dat de beuk er zich heeft kunnen vestigen.

In de excursie hebben we een aantal van die locaties bezocht. Het jonge bos is nu nog gemengd, er staan Europese lariks, berk en nog wat andere soorten tussen de beuk. Patrick Hommel meent dat dit bos zonder meer zal uitmonden in een beukenbos indien een soort als de linde er niet wordt ingebracht. Helemaal vreemd is de linde overigens niet in park Sonsbeek: de donateurlinde is er een regelmatig voorkomend fenomeen.

Download

Reacties

Er zijn nog geen reacties.