Home >> Artikelen >> Een loopbaan in de bosbouw, al lerende de mist in

Artikelen

Column uitgesproken op de 173e algemene ledenvergadering

Een loopbaan in de bosbouw, al lerende de mist in

Een Column van Leffert Oldenkamp
Gepubliceerd op . Er zijn geen reacties.

In 1956 kwam ik op de voorlichtingsdag van de Landbouwhogeschool in aanraking met Prof. Houtzagers. Ik werd geweldig enthousiast voor het vak bosbouw. Mijn familie vond dat ik in dit vak weinig zou verdienen. In de loop van mijn studie en eerste baan trof ik nog enkele grootheden (Leibundgut, van Miegroet, van Goor). Maar daarna is het opgehouden. Ons vakgebied ontbeert ondertussen jammerlijk dergelijke inspirerende leermeesters. Tijdens stage in Drente bij houtvester van Broekhuizen, kreeg ik de gelegenheid allerlei praktische bosarbeid te doen. Van Broekhuizen stuurde me daarnaast het veld in om de bodemgeschiktheid te beoordelen voor een optimale houtproductie. Dit waren facetten van het leerproces, die nog lang daarna hun betekenis hielden. Ik mocht niet ten zuiden van het Oranjekanaal komen. Daar heersten namelijk de bosbouwkundige opvattingen van houtvester Blokhuis, die met het rationele denken van van Broekhuizen weinig van doen hadden. Later heb ik, samen met prof van Miegroet uit België, Blokhuis in Emmen kunnen bezoeken. Die twee gezaghebbende houtvesters trokken weliswaar niet gezamenlijk op, maar hun object van discussie was wel het bos waarvan, volgens beiden, de bomen hout moesten produceren. Al geruime tijd gaat het in ons vak daar nauwelijks meer over. Bos moet nu volgens veel vakgenoten worden omgevormd of aan zijn lot overgelaten. Het gebrek aan integratie van economische en ecologische denkbeelden is nu de achilleshiel van de bosbouw.

Voor mijn buitenland stage ging ik naar Zweden. Daar begon ik als assistent bij het vergelijkend onderzoek naar transport van hout via de toen klassieke methode van uitslepen met paard en houtvlotten en een moderne methode met tractoren en vrachtwagens. Bij het houtvlotten werd gebruik gemaakt van een signaleringssysteem met rode en witte vlaggen. Mobieltjes zouden dat niet beter hebben gedaan. In mijn loopbaan ben ik vaak in situaties gekomen waar technologische aanpassingen (vooral ICT) aan de orde waren. Steeds achteraf vaststellend dat de argwaan voor suggestieve verbeteringen terecht was. Er werd meer ellende geschapen dan oplossingen.

Als er opstoppingen bij het houtvlotten ontstonden was het mijn taak deze met dynamiet op te ruimen.Veiligheidsvoorschriften waren beperkt, je behoefde alleen te roepen dat de lont was aangestoken. Je had wel iemand nodig die hard weg kon lopen. Dat kon ik. Ondertussen zien we ingewikkelde protocollen voor veiligheid in ons vakgebied ontstaan, waarbij het protocol doel is geworden en vakwerk niet meer aan de orde is. Als je zo met dynamiet moet werken (zonder eisen ten aanzien van "hard te kunnen lopen") zou dat zeer riskant zijn.

Uit de studie kwam geen duidelijke aanwijzing, dat het klassieke model verlaten moest worden, maar de regionale "jägmästare" was er van overtuigd dat grote machines en voertuigen de toekomst zouden hebben. De toen gevoerde discussie keerde regelmatig in mijn loopbaan terug. Steeds de dreiging dat machines en bijbehorende opvattingen de bosontwikkeling zouden gaan bepalen. Na de stormen is die dreiging even heel sterk geweest (logma!). In Nederland zijn er wel miskleunen, maar over het algemeen is er een goede inzet van modern materieel. In Canada daarentegen beheersen grote machines de bosontwikkeling. De oppervlakte "old growth" neemt daardoor in rap tempo af. In Canada noemt men mij daarom geen bosbouwer, maar een ecoloog.

Mijn eerste baan was praktijkonderzoeker bij de Dorschkamp, onder leiding van de energieke Con van Goor. Mijn nieuwsgierigheid werd in stelling gebracht. In die periode heb ik dan ook veel opgestoken. Eigenlijk viel te verwachten dat ik na een periode van 15 jaar studie en onderzoek voldoende in mijn mars zou hebben om houtvester bij Staatsbosbeheer in Gelderland te zijn. Dat viel tegen. De stormen en de jacht op grofwild vergden niet gangbare oplossingen voor het bosbeheer, waarvoor aangepaste benaderingen van de bosontwikkeling moesten komen. Die vallen niet uit een modellenboek te halen. Om bijvoorbeeld eigen medewerkers van de Veluwe te overtuigen was kerkbezoek noodzakelijk, voor de Achterhoek kon ik wachten tot het gewogen "ons" en ten zuiden van de rivieren ontstond motivatie via frequent kroegbezoek. In het huidige terreinbeheer, met schaalvergroting alom, bestaat de neiging om vooral vanuit centrale beheermodellen aan te sturen. Dat gaat echter niet. Elk gebied heeft zijn eigen omstandigheden met specifieke eisen voor het beheer. In ons vakgebied is het zaak de klok terug te draaien naar kleinere eenheden. Nog tijdens de worsteling om Staatsbosbeheer Gelderland op de rails te krijgen, kreeg ik het verzoek om naar Java te vertrekken. Bossen beschermen en tegelijk toch meer hout en andere gewassen beschikbaar maken voor de bevolking. De Veluwe was bij mijn vertrek nog redelijk bebost, hetgeen waarschijnlijk geholpen heeft om die baan te krijgen. Maar de hellingbossen op Java zijn ondertussen, mede door introductie van terreinbrommers, nagenoeg geheel ontbost. Voorheen ging het transport over de schouder. Elk dorp heeft ondertussen wel meer en grotere moskeeën. In kringen van ontwikkelingssamenwerking wordt het project overigens als zeergeslaagd beschouwd, vooral door de fraai uitgevoerde eindrapportage, zes jaar nadat ik was gestopt. Op bijeenkomsten van VTB en in bosprojecten in ontwikkelingslanden worden schitterende presentaties gegeven en dure conferenties voor bewustwording georganiseerd. Niemand is echter in staat substantiële bosaanleg te tonen. De ontbossing gaat door. We hebben keurmerken in het leven geroepen om de bossen te redden. Veel werk en certificeerders verdienen er dan ook genoeg mee. Inmiddels is 9% van het bosareaal op deze wereld van een keurmerk voorzien. Maar nagenoeg uitsluitend bos dat niet werd bedreigd. Het gaat bij certificeren dan ook weinig over bosbeheer.

Bij terugkeer in Nederland mocht ik een aantal jaren het bosbouwkundig onderzoek coördineren om vervolgens weer terreinbeheerder voor Staatbosbeheer in Gelderland te worden. Moeizaam zoekend naar een bijpassende ervaring. De grillen in ons vakgebied stapelden zich echter als stoorzenders op. Hiervoor heb ik daar al voorbeelden van aangehaald. Daar valt dan nog aan toe te voegen zure regen, waarvan de veronderstelde aanstichter "ammoniak" toch duidelijk geen zuur maar een basisch karakter heeft.. en er gingen geen bomen van dood... Maar ook klimaatverandering, waarvoor we onze bossen zouden moeten beschermen, maar dat toch niet meer is dan de variaties in weer en klimaat die al op de landbouwhogeschool werden gedoceerd en waar onze bossen goed tegen bestand zijn. Het CO2 beleid levert geld voor alles en iedereen, maar zeer weinig voor aanleg van bos. Het beheer is ondertussen receptmatig gericht op moeilijk realiseerbare natuurbeelden uit het verleden... die nauwelijks of slechts met veel middelen te realiseren zijn.

Kortom in alle opzichten veronachtzamen we, als bosbouwers, de toekomstige maatschappelijke betekenis van hout. Het is niet meer de basis van ons vakgebied, waarvoor ik zo veel heb mogen leren... Toegegeven: ook met die bedreigingen hebben we een boeiend vakgebied. Graag zou ik nog de kans grijpen om mijn ervaring met dynamiet toe te passen. Met een fatsoenlijk lontje. De eerste daad zal zijn om overtollige ecoducten op te blazen.

13 april 2012, Leffert Oldenkamp

Reacties

Er zijn nog geen reacties.