Home >> Artikelen >> 'Instandhouden van tijdelijke bossen'

Artikelen

Position paper

'Instandhouden van tijdelijke bossen'

Een Position paper van Bestuur
Gepubliceerd op . Er zijn geen reacties.

Inleiding

Vanaf 1986 zijn veel tijdelijke bossen aangelegd met subsidies van onder andere de set-aside regeling en de Subsidieregeling Bosaanleg op Landbouwgronden (SBL). Deze bossen zijn aangelegd in een periode waarin er sprake was van een grote overproductie in de landbouw. De term 'boterberg' komt uit deze periode. Om de overschotten terug te dringen werden veel landbouwgronden braak gelegd middels subsidies, maar landbouwgronden konden ook middels subsidies worden bebost. Hierbij konden boeren kiezen tussen permanente bossen en tijdelijke bossen. Bij tijdelijke bossen was het de bedoeling dat boeren na 15 of 25 jaar het bos zouden kappen en de grond weer in gebruik gaan nemen als landbouwgrond. Maar de omstandigheden voor de landbouw zijn niet in positieve zin veranderd. Elke dag stoppen ongeveer 10 boeren met hun bedrijf en de vraag naar landbouwgrond is afgenomen.

De eerste subsidiecontracten voor deze tijdelijke bossen lopen binnenkort af. Verschillende eigenaren beraden zich nu op de vraag hoe zij verder moeten. Voor een deel van de boseigenaren is doorgaan met bos een belangrijke optie, bijvoorbeeld omdat men geen toekomst meer ziet in de landbouw, geen landbouwbedrijf meer heeft of opziet tegen de hoge kosten van het verwijderen van de stobben. Bij een enquête onder 20 eigenaren van tijdelijk bos (620 ha) bleken 14 eigenaren (70%) door te willen gaan met bos (424 ha). Van deze groep willen er 3 doorgaan met tijdelijk bos (49 ha) en 11 willen er overstappen op permanent bos (375 ha). Ongeveer driekwart van de respondenten geeft hierbij de voorkeur aan het geleidelijk omvormen van het tijdelijke bos in plaats van volledig kappen en opnieuw planten. Voorwaarde voor deze eigenaren is dat dit zowel regeltechnisch als financieel aantrekkelijk moet zijn. In totaal gaat het om zo'n 2.100 ha tijdelijk bos (524 ha SBL-bos en 1596 ha set-aside bos).

Voordelen van instandhouding

Het instandhouden van een deel van de tijdelijke (populieren)bossen kan ecologische, recreatieve en bosbouwkundige voordelen bieden, vooral als ze geleidelijk worden omgevormd naar permanente bossen. Door een deel van de populieren voor een bepaalde tijd te laten staan en andere boomsoorten in te brengen ontstaat structuurrijk bos met hoge bomen. Planten en dieren krijgen met populierenbossen in agrarisch landschap plekken aangeboden waar andere groeiomstandigheden (dood hout, beschutting), rust en nestgelegenheid wordt geboden waardoor ze zich in veel gevallen beter kunnen handhaven. Als er voor wordt gekozen om alles te kappen en opnieuw te beplanten, zal het lang duren voor het bos weer dezelfde natuurwaarden heeft. De ervaringen van Staatsbosbeheer in de Flevopolders laten dit ook zien. Ook de belevingswaarde zal veel beter in stand blijven bij geleidelijke omvorming. Mensen lopen liever in een structuurrijk of parkachtig bos met oude, hoge bomen dan in een recent aangelegd, eenvormig bos. Ook bosbouwkundig gezien heeft een geleidelijke omvorming van een populierenbos de voorkeur boven de aanplant van een nieuw bos na kaalkap. De populieren vervullen een schermfunctie voor de jonge boompjes. Dit komt de kwaliteit vaak ten goede, waardoor het hout in de toekomst hoogwaardiger ingezet kan worden. Bovendien krijgt een deel van de populieren de gelegenheid om nog even door te groeien en waardevol hout te leveren. De bijgroei van de meeste populierenklonen blijft tot ver na het 25e jaar in stand. Bij een gemiddelde boniteit (groeisnelheid), plantaantal en dunningsregime is het totale houtvolume van een 25 jaar oud populierenbos 160 m3/ha, bij 30 jaar is dit al 226 m3/ha en bij 35 jaar 281 m3/ha. Houtverwerkers kunnen over het algemeen meer betalen voor dik hout, omdat het rendement hoger ligt en het hout (bij voldoende kwaliteit) voor hoogwaardigere toepassingen gebruikt kan worden. Een gangbare sortimentseis voor fineerhout is bijvoorbeeld een midden-diameter van 35 cm bij een lengte van 5,20, 7,80 of 10,40 meter. Onder dezelfde omstandigheden als hiervoor beschreven, wordt dit pas bereikt bij een leeftijd van 30 tot 35 jaar. Het ouder laten worden van de populieren heeft dus tot gevolg dat er meer hout kan worden geoogst tegen hogere prijzen.

Sommige tijdelijke bossen zijn aangelegd in karakteristieke open landschappen, zoals bijvoorbeeld in Groningen. Het ligt voor de hand om deze bossen juist niet in stand te houden en zo deze planologische 'dwalingen' te herstellen.

Mogelijkheden voor instandhouding

Voor de aanleg van tijdelijke bossen is in het verleden gebruik gemaakt van een aantal regelingen: Set-aside regeling, Regeling bijdragen snelgroeiend bos (ook wel de EZ-regeling of 3000 gulden-regeling genoemd), de SBL-regeling en de Regeling vrijstelling meldings- en herplantplicht. Deze regelingen bepalen of en hoe de tijdelijke bossen in stand kunnen worden gehouden.

De set-aside regeling (1988-1992) en de Stimuleringsregeling bosaanleg op landbouwgronden (SBL-regeling) (1993-2000) stellen geen eisen aan de kap en werpen derhalve geen knelpunten op voor de geleidelijke omvorming van tijdelijk bos naar permanent bos (na het aflopen van het huidige contract).

Onder de set-aside regeling is bijplanten niet toegestaan, maar er mag wel gebruik worden gemaakt van natuurlijke verjonging, mits er minimaal 200 bomen op het perceel blijven staan (evenredig verdeeld over het perceel). Onder de SBL-regeling is bijplanten wel toegestaan, waardoor omvorming eventueel al tijdens de looptijd van het contract kan worden opgestart.

De Regeling bijdragen snelgroeiend bos (1985-1994) stelde als voorwaarde dat het bos voor het 25e jaar na aanleg wordt geveld (ongeacht de contractperiode). Deze kapverplichting belemmert de mogelijkheid van geleidelijke omvorming.

Voor tijdelijke bossen is een vrijstelling op de Regeling vrijstelling meldings- en herplantplicht van kracht, waardoor men de tijdelijke bossen binnen 25 jaar, later 40 jaar, mogen kappen zonder dat dit hoeft te worden gemeld en er opnieuw moet worden herbeplant. De grond behoudt dus de bestemming 'landbouwgrond'. De regeling verplicht niet tot kap, maar als niet het gehele bos binnen deze termijn is gekapt, vervalt de vrijstelling automatisch en zijn de meldings- en herplantplicht weer gewoon van toepassing. Het is dan dus juridisch bosgrond geworden (planologisch niet!). Hierdoor treedt een aanmerkelijke grondwaardedaling op, die niet meer door de functieveranderingsubsidies van Subsidieregeling Natuurbeheer kan worden opgevangen. Om dit te voorkomen moet de gehele opstand op tijd worden gekapt, of moet er vóór het verstrijken van de vrijstellingsperiode een subsidietoekenning van SN zijn toegekend. Dienst Laser, die de subsidieaanvragen beoordeeld, is op de hoogte van deze problematiek en heeft mondeling aangegeven hier rekening mee te houden. Maar tijdig beginnen en overleggen met Laser is aan te bevelen.

Zoals gezegd stellen boeren met tijdelijk bos als voorwaarde voor instandhouding dat dit financieel aantrekkelijk moet zijn.Momenteel zijn twee landelijke regelingen van belang voor de financiering van bosaanleg (ook het instandhouden van tijdelijk bos moet als bosaanleg worden gezien): Subsidieregeling Natuurbeheer (SN) en de Boscertificatenregeling van het Nationaal Groenfonds. Om tijdelijk bos om te zetten in permanent bos, met gebruikmaking van de subsidies van de Subsidieregeling Natuurbeheer (SN), is het noodzakelijk dat deze tijdelijke bossen gezien worden als landbouwgrond. Het ministerie van LNV, directie Natuurbeheer heeft in een reactie aangegeven dat tijdelijk bos juridisch gezien landbouwgrond is. Bij de geleidelijke omvorming van tijdelijke bossen naar permanent bos kan dus gebruik worden gemaakt van de functieverandering- en inrichtingsubsidie van de Subsidieregeling Natuurbeheer. Er is enige tijd discussie geweest of inrichtingssubsidie verkregen kan worden voor het omvormen van een tijdelijk bos naar een permanent bos, omdat er immers al sprake is van bos. Hiermee zou ook de functieveranderingsubsidie op de tocht staan omdat deze subsidies aan elkaar gekoppeld waren. Zowel Directie Natuur als Laser hebben in een reactie aangegeven dat het mogelijk is om voor het omvormen van een tijdelijk bos inrichtingssubsidie te krijgen, bijvoorbeeld voor het onderplanten van andere soorten. Bovendien is bij de laatste aanpassingen van de SN-regeling de koppeling tussen beide subsidievormen losgelaten, zodat ook functieveranderingsubsidie verkregen kan worden zonder inrichtingssubsidie. De subsidieregeling natuurbeheer werpt derhalve geen knelpunten op voor de geleidelijke omvorming.

Tot 2005 geldt dat overal in Nederland inrichtings- en functieveranderingsubsidie verkregen kon worden voor bosaanleg op landbouwgrond. Met ingang van 1 januari 2005 is het LNV-subsidieplafond voor bosaanleg buiten de EHS echter op 0 gesteld in het kader van een bezuinigingsoperatie en het landelijk stellen van prioriteit bij realiseren EHS. Nadrukkelijk vermeldt de minister dat het initiatief voor subsidies hier voorlopig gelegd wordt bij andere overheden, waarmee hij doelt op beleidsruimte van ondermeer de provincies. De minister van LNV heeft aangegeven dat hij bosaanleg in de Nationale Landschappen ook in stand wil houden, maar dit is tot dusverre (nog) niet uitgewerkt. Het merendeel van de tijdelijke bossen ligt buiten de EHS, waardoor voor de instandhouding van de meeste tijdelijke bossen geen gebruik zal kunnen worden gemaakt van de SN. De minister heeft, na protesten uit de sector, besloten om de regeling voor bosaanleg buiten de EHS niet te schrappen, maar ‘slechts’ het subsidieplafond op 0 te stellen. Dit impliceert, dat als er weer voldoende financiële middelen beschikbaar komen, de regeling weer opengesteld kan worden, maar een ambtenaar van Directie Natuur heeft recent aangegeven dat de taakstelling voor bosuitbreiding buiten de EHS is komen te ververvallen. Hierdoor is de kans dat er weer subsidie beschikbaar komt voor bosaanleg buiten de EHS minimaal geworden. Aan het Nationaal Groenfonds is voorgelegd of om te vormen tijdelijke bossen in aanmerking komt voor een boscertificaten-bijdrage. Het Nationaal Groenfonds is welwillend om medewerking te verlenen, maar is wel gehouden aan de richtlijnen van het Kyoto protocol.

Drie opties

Boeren met tijdelijk bos hebben momenteel drie opties om tijdelijke bossen om te zetten in permanent bos:

  1. De verplichte termijn van de huidige subsidieregelingen niet volmaken, maar eerder omschakelen naar permanent bos. Tussentijds overstappen stuit op zeer veel regeltechnische knelpunten. Deze optie is daarom in de praktijk alleen mogelijk door de huidige contracten te beëindigen en alle subsidiebedragen (vermeerderd met wettelijke rente) terug te betalen. Niet veel eigenaren zullen dit overwegen.
  2. De verplichte termijn van de huidige subsidieregelingen volmaken, het bos vellen en vervolgens een subsidieaanvraag indienen voor de aanleg van permanent bos. Deze optie is zondermeer mogelijk, omdat aan alle voorwaarden van de oude en nieuwe (subsidie)regelingen wordt voldaan. De stobben hoeven niet persé verwijderd te worden. De Subsidieregeling Natuurbeheer stelt echter met ingang van 2005 geen rijkssubsidie meer beschikbaar voor bosaanleg buiten de EHS, zodat deze optie momenteel alleen relevant is voor het instandhouden van tijdelijke bossen binnen de EHS.
  3. De verplichte termijn volmaken en dan overschakelen via geleidelijke omvorming naar permanent bos. Het verschil met de tweede optie is dat het bos niet ineens geheel geveld wordt, maar dat het 'oude' bos langzaam moet wijken voor de nieuw aangeplante bomen. Deze optie is, net als (2) mogelijk, behalve als gebruik is gemaakt van de Regeling bijdragen snelgroeiend bos, want deze regeling schrijft eindkap voor. Geleidelijk omvormen optie biedt dermate veel voordelen, dat het verstandig lijkt om het knelpunt van de Regeling bijdragen snelgroeiend bos op te lossen. Bovendien is deze optie niet strijdig met de houtproductiedoelstelling van de Regeling bijdragen snelgroeiend bos. Integendeel zelfs, want ook de houtproductie is gebaat bij een langere omloop (zie onder kopje 'Voordelen van instandhouden'). Een eenvoudige oplossing om onder de kapverplichting uit te komen is het bestaande contract te ontbinden met terugbetaling van de subsidie (incl. wettelijke rente), maar dit maakt overstappen financieel onaantrekkelijk. Om te voorkomen dat eigenaren van tijdelijk bos zich in hun keuze voor geleidelijke omvorming of kaalkap laten leiden door deze terugbetaling, is het wellicht mogelijk om deze kosten op te nemen als inrichtingskosten binnen de Subsidieregeling Natuurbeheer. Hiervoor is nader overleg noodzakelijk tussen eigenaren van tijdelijk bos en het ministerie van LNV. Een andere oplossing is het laten vervallen van deze kapverplichting of het oprekken van de termijn naar 40-50 jaar. Tot dusverre heeft het ministerie van LNV, die de regeling beheren, (vooralsnog) geen faciliteiten willen scheppen voor de geleidelijke omvorming, ondanks de grote interesse van de eigenaren en de voordelen op het gebied van natuur, beleving en productie. De achterliggende redenering is dat regelingen in elkaar over laten lopen, met dan ook nog aparte voorzieningen voor omvormingstermijnen, administratief lastig is, leidt tot hoge uitvoeringskosten en moeilijk te controleren is.

Planologische aspecten

Voor de omvorming van tijdelijk bos tot permanent bos is een bestemmingswijziging in het kader van het bestemmingsplan noodzakelijk. Deze omvorming wordt procedureel veelal op dezelfde wijze behandeld als het aanleggen van een nieuw bos op landbouwgrond. Het verkrijgen van een vergunning is allerminst zeker, want er is geen beleid ontwikkelt voor de instandhouding van tijdelijk bossen. Elk individueel geval wordt afzonderlijk beoordeeld. Niet in alle gevallen is het planologisch gezien wenselijk dat tijdelijke bossen blijven bestaan, bijvoorbeeld in het geval de bossen zijn aangelegd in een karakteristieke open gebied. Ook omwonenden kunnen allerlei bezwaren indienen. Uiteraard kan de huidige aanwezigheid van een bos de drempel tot een bestemmingswijziging wel verlagen.

Conclusie en visie KNBV

Veel tijdelijke bossen hebben in de loop der tijd een waarde gekregen voor natuur, beleving en houtproductie. De KNBV is van mening dat betrokken partijen (rijk, provincies, gemeenten en belangenorganisaties) moeten proberen om deze bossen in stand te houden na afloop van de subsidiecontracten. Aan de andere kant is de KNBV van mening dat er ook tijdelijke bossen zijn die moeten verdwijnen, omdat ze bijvoorbeeld in karakteristieke open ruimten zijn geplant. Een goede afweging voor al dan niet instandhouden is derhalve gewenst. Provincies zouden hierbij een leidende rol moeten spelen in samenwerking met de betreffende gemeenten. Deze belangenafweging kan plaatsvinden bij het beoordelen van bestemmingswijzigingen binnen de Wet op de Ruimtelijke Ordening (bestemmingsplannen).

Er is grote interesse bij de eigenaren van tijdelijk bos om door te gaan met bos. Dit moet dan wel regeltechnisch mogelijk zijn en financieel aantrekkelijk zijn. Momenteel is het echter niet financieel aantrekkelijk, omdat geen bijdrage verkregen kan worden uit het boscertificatensysteem van het Nationaal Groenfonds en er alleen SN-subsidie verkregen kan worden binnen de EHS. Dit laatste geldt slechts voor een zeer klein percentage van de tijdelijke bossen. De KNBV is van mening dat het instandhouden van tijdelijke bossen dermate veel voordelen biedt dat zij het Nationaal Groenfonds oproept om, zoals al aangekondigd, haar boscertificatensysteem open te stellen voor de instandhouding van tijdelijke bossen en het ministerie van LNV oproept om te overwegen of er geen subsidie verstrekt kan worden voor de instandhouding van tijdelijke bossen (al dan niet binnen de SN). De KNBV roept ook andere overheden, m.n. de provincies met veel tijdelijk bos, op om te onderzoeken of er mogelijkheden zijn voor mede-financiering van bosaanleg. Het ministerie zou hierbij de 50% co-financiering vanuit Brussel kunnen regelen.

Tussentijds overstappen van tijdelijk naar permanent bos zou weliswaar het meeste zekerheid geven over het voortbestaan van het bos, maar dit is gezien de vele knelpunten niet reëel. Na het aflopen van de contractperiode is overstappen zondermeer mogelijk. Geleidelijk omvormen is binnen de Regeling bijdragen snelgroeiend bos echter alleen mogelijk als het contract wordt ontbonden en de subsidie (+ wettelijke rente) wordt terugbetaald. Dit maakt geleidelijke omvorming financieel minder interessant. Dit knelpunt kan opgelost worden door het laten vervallen van deze kapverplichting, het oprekken van de kaptermijn naar 40-50 jaar of door de ontbindingskosten te subsidiëren. In verband met de ecologische, recreatieve en bosbouwkundige voordelen van geleidelijke omvorming ten aanzien van kap en aanplant, roept de KNBV het ministerie van LNV op om te onderzoeken of één van bovenstaande oplossingen mogelijk is.

Reacties

Er zijn nog geen reacties.