Home >> Artikelen >> Jeugdverzorging van het bos. Ouderwets of Noodzakelijk?

Artikelen

Verslag najaarsexcursie Pro Silva 2006

Jeugdverzorging van het bos. Ouderwets of Noodzakelijk?

Een Verslag van Pro Silva door Cor Zuidema
Met bijdragen van Etiënne Thomassen, Anton Vos, Reijer Knol, Robbert Wolf en Tieke Poelen
Gepubliceerd op . Er zijn geen reacties.

Onder deze titel was de Pro Silva najaarsexcursie aangekondigd. Een onderwerp dat leeft in de Nederlandse bosbouw want circa 100 personen kwamen op 11, 12 en 13 oktober naar Vierhouten waar de excursieleiders 4 objecten in de gemeentebossen van Nunspeet hadden uitgezocht.

![Eén van de bezochte opstanden.](workspace/uploads/afbeeldingen/najaarsexcprosilva2006_3-4f7bf5ba96d8a.jpg)
Eén van de bezochte opstanden.

In deze 4 objecten werd aan de deelnemers gevraagd om te bepalen of met het doen van ingrepen in het jonge bos gewacht kon worden tot de eerste rendabele dunning of dat vrijstellen van gewenste houtsoorten in een eerder stadium noodzakelijk was. In jonge dichte opstanden zijn de natuurwaarden in het algemeen nog laag en de geselecteerde locaties vormden hierop geen uitzondering. Uit de verschillende excursieverslagen bleek bij de deelnemers veel belangstelling voor de economische potenties en veel minder voor de mogelijke ecologische potenties van deze opstanden . Dit is ook heel begrijpelijk, omdat in de oudere opstanden, met deze houtsoorten als basis, ze vanzelf ontstaan of zonder grote ingrepen ingebracht kunnen worden. Voor de diversiteit van de houtopstanden was veel aandacht, maar dan toch vooral in de mogelijkheid om naast de aanwezige hoofdboomsoorten ook goede (zaag)toekomstbomen bij het loofhout te kunnen aanwijzen. Ingrepen in deze dichte fase van het bos kunnen grote invloed hebben op de toekomstige ontwikkeling van het bos. Juist omdat het onderwerp van deze dag zo concreet was discussieerden de deelnemers volop over de genomen en nog te nemen maatregelen. Soms ging de discussie buiten het bosvak gewoon verder!

Het eerste object dat werd bezocht betrof een opstand uit 1979 (aanleg binnen een konijnenraster) met als hoofdboomsoort grove den en geplante beuk en natuurlijke bezaaiing van inlandse eik als mengsoorten. Eind jaren 80 heeft er een vrijstelling van loofhout plaatsgevonden door de natuurlijke bezaaiing van grove den in te perken. Het kronendak van deze opstand werd gedomineerd door grove den en er konden voldoende toekomstbomen in deze houtsoort aangewezen worden. De meeste groepen had goede toekomst-verwachtingen van deze opstand en de te bereiken maximale hoogte van de grove den, welke werd ingeschat op 25 meter. Sommige groepen vonden dat er te laat was ingegrepen en tenminste één groep vond, dat de takreiniging nog enkele jaren door zou mogen gaan en dat daardoor de dunning voor de grove dennen nog enkele jaren uitgesteld zou kunnen worden. De meningen liepen uiteen over de aanwezigheid van kwaliteitshout van eik. Sommigen vonden nog wel 20 geschikte toekomstbomen per ha, terwijl er ook werd gehoord, dat de eiken weinig kansrijk en instabiel waren. Iedereen was het er over eens, dat om goede eiken in de opstand te kunnen houden direct ingrijpen noodzakelijk is, waarbij maximaal 1 concurrent weggehaald mag worden. De aangeplante beuken waren geheel onderstandig. Toch werd er ook wel gekozen voor de beuk omdat die zich in de loop van de tijd wel redt. Probleem is hier echter, dat er nauwelijks beuken gevonden werden met een kwalitatief goede stam. Hoewel in deze jeugdfase de grove dennen duidelijk als winnaars werden gezien werd wel gewaarschuwd, dat de beuken in de toekomst de grove dennen kunnen wegconcurreren.

Object 2 kon vanaf object 1 wandelend bereikt worden. Vanwege de verschillende hoofdboomsoorten onderverdeeld in 2a en 2b. Object 2a betrof een in 1976 aangeplante japanse lariksopstand gemengd met douglas en grove den. In 2000 zijn T-bomen aangewezen, opgesnoeid en vrijgesteld. In het voorjaar van 2006 is een 1e dunning uitgevoerd met een houtoogstmachine type Sampo. De dunningspaden zijn aangelegd op 18 meter. Er is een stamtalreductie van ongeveer 20% gerealiseerd. Deze eerste dunning was rendabel.

![De excursiedeelnemers bekijken het hout dat is geoogst uit object 2.](workspace/uploads/afbeeldingen/najaarsexcprosilva2006_2-4f7bf5eacd94f.jpg)
De excursiedeelnemers bekijken het hout dat is geoogst uit object 2.

Opvallend was, dat de grove den wat betreft groei de douglas en lariks heeft bijgehouden en in de 25 jaar niet ingrijpen niet het onderspit heeft gedolven. Blijkbaar is de groeiplaats geschikter voor grove den dan voor de andere twee soorten. Iedereen was het er over eens, dat men hier door kon met deze menging. Eerder vrijstellen van de lariks zou waarschijnlijk beter zijn geweest omdat dan de kronen groter zouden zijn. Kwaliteit en stabiliteit is hier geen probleem bij het naaldhout. De loofboomsoorten zijn echter onderstandig en iel. Mogelijk had een betere menging kunnen ontstaan als deze in het verleden waren vrijgesteld. Ook bij de eerste dunning was er nog te weinig rekening gehouden met het aanwezige loofhout.

In object 2b is de hoofdboomsoort corsicaanse den en zijn de mengboomsoorten grove den en inlandse eik. Hier was het meer zoeken naar kwaliteit. De verwachting was, dat de natuurwaarde van de houtopstand na de dunningsingreep meer kans zou krijgen. Veel excursiegangers stonden wat triest naar de vrijgestelde berken en inlandse eiken te kijken, die na de dunning waren gaan hangen. Een gewaardeerde Belgische collega zag toch nog goede mogelijkheden en stelde voor om deze exemplaren als hakhout af te zetten en opnieuw uit te laten lopen. Je levert nu wat in maar ten gunste van een hogere natuurwaarde in de toekomst. Hoewel de eiken wel takkig waren en nooit een prima stam zullen vormen was men het er over eens, dat eerder voorzichtig ingrijpen zinvol was geweest voor de stabiliteit van de eiken en grotere kronen bij de grove dennen.

Na een goed verzorgde lunch gingen we in de middag naar een dichte opstand van natuurlijke bezaaiing grove den en berk met bijmenging van een enkele inlandse eiken. Enkele overstaanders van grove den (1924) waren gespaard. Als 20 jarige opstand vond men de opstand eigenlijk wat te dun, maar veel groepen waren onder de indruk van de zeer goede kwaliteit van de verjonging. Deze zag er prima uit met voldoende toekomst mogelijkheden.

In object 3 was het stamtal hoog en waren de zijtakken dun.
In object 3 was het stamtal hoog en waren de zijtakken dun.

De verschillende groepen verschilden van mening over het beheer van de aanwezige berken. Daar waar de berken alleen een natuurfunctie werd toegedicht vond men het nog niet nodig om de berken vrij te zetten. Ook al zouden enkele berken de concurrentiestrijd verliezen, dan zouden er toch voldoende overblijven of op latere leeftijd door inzaai weer bij komen. Het achterblijven van de berken viel op. De verklaring werd gezocht in het verjongingstijdstip dat waarschijnlijk samenviel met de zaadval van grove den, waarna de berk in de verdrukking is gekomen. Als een berk eenmaal in de schaduwdruk staat is hij niet meer in staat om opnieuw op te starten en vormt onder schaduw kortloten in plaats van langloten. Om de berk als productieboom in aanmerking te laten komen moet na de 10e en voor het 15e jaar (afhankelijk van de groeiplaats) fors vrijgesteld worden. De kroonlengte moet altijd minstens de helft van de boomlengte zijn. Ingrijpen werd ook nodig geacht om de inlandse eiken in de opstand te kunnen behouden.

Het vierde object betrof een in 1974 aangelegde opstand van een ha inlandse eik en een ha beuk met natuurlijke bezaaiing van grove den. In midden jaren 80 is het loofhout vrijgesteld van grove den. Deze opstand was geblest en verschillende mensen werden hierdoor in verwarring gebracht en vroegen zich af of wel voldoende rekening was gehouden met het aangeplante loofhout. De grove dennen zagen er goed uit met voldoende toekomstbomen. Wel vond men dat de grove dennen eerder opgekroond hadden kunnen worden. Door sommigen werd de menging inlandse eik/ grove den als opstand positiever beoordeeld dan de menging beuk/ grove den. Ook vond men bij de eiken meer kwaliteit dan bij de beuken. Toch werd in het algemeen geoordeeld, dat voor veel eiken de ingreep te laat was. Wil men stabiele eiken, dan moet je er op tijd bij zijn en het is precisie werk om het juiste moment te pakken. Om de investeringen in de beuk en eik recht te doen hadden na midden jaren tachtig de beuken en eiken voor een tweede keer vrijgesteld moeten worden. De verwachting was, dat het noodzakelijk zou zijn om bij de menging van beuken en grove den te moeten blijven sturen. Deze opstand had nog weinig structuur. Na enkele dunningen komt de onderetage vanzelf en verder aansturen op structuurverbetering is mogelijk door op sommige plekken helemaal niets te doen. Ook werd voorgesteld om meer groepsgewijs te werken en deze groepen in de toekomst steeds vrij te stellen.

Niet pas na 30 jaar gaan kijken

Tijdens de excursie kwam een groot aantal aspecten, gezichtspunten en meningen over jeugdverzorging aan de orde. Rode draad is, dat veel deelnemers aangeven dat we in Nederland wat doorgeschoten zijn in het achterwege laten van de jeugdverzorging. Zo weinig van ons houdt zich met de feitelijke toepassing van jeugdzorg bezig of hebben er veel ervaring mee. Met name de jongere generatie kan zich daar ook geen goede voorstelling meer bij maken. Je moet niet meer doen dan nodig is, maar jonge opstanden moet je goed volgen en steeds blijven beoordelen welke ingrepen je nodig acht voor een gewenste bosontwikkeling. Daarbij zijn er verschillen geconstateerd tussen aangeplante en natuurlijk verjongde bosgedeelten. Uit de verschillende discussies kwam ook naar voren, dat het maken van de eerste dunningspaden erg belangrijk is. Samen met het vrijstellen van de gewenste bomen en aanwijzen van T-bomen kan dit vooraf gaan aan een eerste dunning van een vak.

Reacties

Er zijn nog geen reacties.