Home >> Artikelen >> Sturen in gevarieerd bos

Artikelen

Verslag najaarsexcursie Pro Silva 2014

Sturen in gevarieerd bos

Een Verslag van Pro Silva door Robbert Wolf
Met bijdragen van Martijn Griek, Willem Lammertink, René Olthof, Cor Zuidema en Eva Burgers
Gepubliceerd op . Er zijn geen reacties.

De Pro Silva najaarsexcursie vond plaats op 8, 9 en 10 oktober in het Bergherbos, Montferland.

Oud bos met een rijke historie

Het Bergherbos heeft een lange bosbouwgeschiedenis en -traditie. Eikenhakhoutcultuur, kaalkap voor IJzerindustrie, grove dennenaanplant voor de mijnbouw en aanplant van snelgroeiende naaldboomsoorten door Baron van Heeck; al deze activiteiten hebben hun sporen nagelaten in het huidige bos. Het resultaat is een gevarieerd bosgebied met bijzondere natuurwaarden en een aanzienlijke houtproductie.

Hoe kun je in dit bos op betrekkelijk rijke stuwwalbodems met Pro Silva beheer aan de gang? Hoe benut je daarbij het huidige bos en natuurlijke processen? Hoe kun je daarmee enerzijds verspreiding van oud bosplanten stimuleren, anderzijds kwalitatief goed hout produceren? Aan de hand van dergelijke vragen is tijdens drie excursiedagen volop gediscussieerd.

Discussiëren over Pro Silva beheer
Discussiëren over Pro Silva beheer; leren van het bos en van elkaar. Foto Robbert Wolf.

Met de stroom mee bewegen?

De excursie start in een bosje met Europese lariks, gemengd met wintereik en beuk. Dit maakt deel uit van een oude boskern. De houtvoorraad is met ruim 350 m3/ha hoog; een deel van de lariks is geringd en afgestorven. In de minst donkere bosgedeelten komen de oud bosplanten dalkruid en adelaarsvaren voor.

De huidige natuurwaarde wordt als vrij hoog beoordeeld: gemengd bos met inheemse soorten en veel dood hout, oud bosplanten en redelijk gevarieerde structuur. Europese lariks wordt tegenwoordig als inheems (in Europa) beschouwd, maar over het dode hout ervan wordt opgemerkt dat dit veel minder soorten planten en dieren bevat dan dat van bijvoorbeeld eik. De houtproductiewaarde zit voornamelijk in de niet geringde lariksen, die een goede stamkwaliteit hebben.

Het bos is te donker voor verjonging van lariks en voor overleving van de aanwezige éénjarige eikenkiemplanten. De deelnemers zijn het er over eens dat de spontane ontwikkeling hier op lange termijn naar een beukenbos leidt. “Daarmee wordt het bos donkerder en eenvormiger, en loopt de productiewaarde terug”. De kwaliteit van de beuken wordt laag ingeschat.

Volgens de meesten, zouden de lariksen binnenkort geoogst moeten worden: “ze hebben hun doeldiameter bereikt en de aanwas neemt snel af”. Voor het bos dat dan achterblijft, is het de vraag of het zinnig is om tegen de stroom in een licht bostype met soorten als eik en lariks in stand te willen houden. Of is het beter om met de spontane ontwikkeling mee te bewegen en daarin gericht bij te sturen? Het merendeel kiest voor het laatste. Het ziet onder andere problemen voor de verjonging van eik en lariks door snel oprukkende adelaarsvarens en reeënvraat. Iemand stelt voor om de beste eiken gericht vrij te stellen, zodat deze een goede kroon en stam kunnen vormen en lang in het systeem kunnen blijven. Anderen stellen groepsgewijze aanplant voor van schaduwverdragende inheemse boomsoorten, zoals esdoorn, zoete kers of linde (zie ook tabel 1). Daarbij wordt geopperd om het kleinschalig inbrengen van dergelijke nieuwe bijzondere boomsoorten vooral in de randen langs paden te doen. Ze vallen dan beter op. “De beheerder vergeet minder snel om ze vrij te stellen, de recreant kan er meer van genieten.”

Spontane ontwikkeling
“Spontane ontwikkeling gaat naar een beukenbos.” Foto Robbert Wolf.

Tabel 1. Schaduwtolerantie boomsoorten (naar Nyssen et al 2013, op grond van Niinemets & Valladares 2006)

Soortengroep Soort (in volgorde van toenemende schaduwtolerantie zaailingen)
Dennengroep Japanse lariks
(ca. 25-100% van daglicht nodig) Europese lariks
grove den
ruwe berk
Eikengroep zomereik
(ca. 10-25% van daglicht nodig) Amerikaanse vogelkers
wintereik
Amerikaanse eik
douglas
Esdoorngroep zoete kers
(ca. 5-10% van daglicht nodig) gewone esdoorn
Lindengroep zomerlinde
(minder dan 5% van daglicht nodig) winterlinde
Noorse esdoorn
fijnspar
beuk
reuzenlevensboom (thuja)
Westelijke hemlockspar (tsuga)

Sturen in de verjonging?

Verderop komen we op een verjongingsplek. Hier is ongeveer de helft van een douglasopstand geveld, en ontwikkelt zich nu verjonging van lariks, douglas en berk over een oppervlakte van een kwart hectare. Ook braam en adelaarsvaren hebben zich hier ontwikkeld na velling van donker douglasbos.

Vanuit productieoogpunt, wordt de verjonging door de excursiedeelnemers als goed beoordeeld vanwege een hoog aandeel douglas en lariks in dichte stand. Wel wordt aangegeven dat de douglasopstand eigenlijk te vroeg is geveld: “de douglas had nog lang niet de optimale diameters bereikt, dus het kappen hiervan heeft geld gekost”. Vanuit natuuroptiek wordt gesteld dat er maar tijdelijke winst is geboekt, aangezien zich weer een overwegend douglasbos zal ontwikkelen. De meesten denken dat de verjonging meer uit inheemse boomsoorten zou hebben bestaan, als ook de rest van de douglasopstand geveld zou zijn. Dit zou beter aansluiten bij het aangrenzende oude eikenbos.

De meningen lopen uiteen over hoe en wanneer er in de huidige verjonging ingegrepen zou moeten worden. Sommigen stellen voor om 30 jaar te wachten en dan een eerste rendabele dunning uit te voeren. Anderen vinden dat al na 15 jaar een dunning moet worden uitgevoerd. Daarbij moet dan berk en ook lariks worden vrijgesteld, om zo een gemengde verjonging te ontwikkelen. Sommigen stellen voor om de resterende volwassen douglas alsnog te oogsten. In de gevelde delen zou dan meer verjonging van inheemse loofboomsoorten als eik en berk kunnen komen, en eventueel ook winterlinde ingebracht kunnen worden.

Donker en licht exotenbos

In de middag bezoeken we een plek in snelgroeiend uitheems naaldbos. Naast elkaar komen hier een donker, en een licht bostype voor.

Het donkere bostype bestaat uit een menging van hemlockspar, reuzenlevensboom en douglas. Drie soorten die ook samen voorkomen in hun natuurlijke bossen in noordwest Amerika. De houtvoorraad is enorm hoog, circa 600 m3/ha. Ondanks het donkere, zeer dichte bos is er verjonging van hemlockspar.

Het bosbeeld wordt ervaren als bijzonder en indrukwekkend. Er is binnen dit bosgedeelte menging, maar verder weinig structuurvariatie. Dit type bos biedt heel goede kansen voor een plenterachtig bosbeheer: kleinschalige kap en werken met verjonging van schaduwverdragende boomsoorten. Naast de drie aanwezige soorten, zouden beuk en fijnspar hier goed in passen. Volgens sommigen zou je moeten sturen door beuk in te brengen en vrij te stellen. Er is discussie over de rol van hemlockspar. Deze soort verdraagt de meeste schaduw, verjongt zich goed en levert volgens veel deelnemers hout van vrij lage kwaliteit. Daarom wordt geopperd om de reuzenlevensboom en douglas hier gericht vrij te stellen.

Bergherbos
Donker gemengd bos van hemlock, reuzenlevensboom en douglas in het Bergherbos. Foto Robbert Wolf.
Hoh oerwoud
Donker gemengd bos van hemlock, reuzenlevensboom en douglas in het Hoh oerwoud (V.S.). Foto Robbert Wolf.

In het lichte bostype domineert Japanse lariks. Ertussen staan enkele onderdrukte eiken, eronder wat adelaarsvaren en verjonging van beuk, fijnspar en hemlockspar. Aan de randen komt de oud bosplant witte klaverzuring voor. De houtvoorraad is ook hier hoog, ruim 400 m3/ha.

In dit bosgedeelte gaat de discussie eerst over de vraag wanneer de lariksen geveld zouden moeten worden. Sommigen vinden dat dit nu al zou moeten, anderen vinden dat ze daar pas over twee dunningsperioden aan toe zijn. Wel is de groep het er over eens dat de lariks over niet al te lange tijd kaprijp is. Het is de vraag hoe er na velling van de lariks verjonging kan komen met perspectief voor houtproductie èn natuurwaarde. Een licht bostype in stand houden, wordt hier gezien als tegen de stroom in roeien. Daarom wordt voorgesteld om met de successie mee te gaan in de richting van een bos met schaduwboomsoorten. Daarbij wordt gedacht aan aanplant van esdoorn, om de verjonging van soorten als hemlockspar, fijnspar, beuk en douglas aan te vullen tot een gemengd bos met zowel naald als loofboomsoorten. “Esdoorn geeft goed strooisel, en is bestand tegen schaduw”. Er wordt aanplant in groepen van 50-60 stuks voorgesteld. “Zo zijn ze minder kwetsbaar en ontwikkelen ze een betere stamvorm.”

Verjonging
Verjonging van schaduwboomsoorten onder lariks. Foto Robbert Wolf.

Mooier kan haast niet

Verderop komen we in een bosgedeelte met Japanse lariks uit 1940, gemengd met fijnspar en met onderstandige eiken. Eronder komt verjonging op van douglas, fijnspar en beuk. De houtvoorraad is hier ruim 350 m3/ha. Er wordt vastgesteld dat de eiken nog in het bos aanwezig zijn doordat de beheerders deze steeds hebben vrijgesteld.

“Mooier kan haast niet”, is hier een veel gehoorde uitspraak. Het huidige bos is structuurrijk, functioneert goed op het gebied van natuur en houtproductie en biedt goede perspectieven voor de toekomst. De Japanse lariksen en fijnsparren groeien nog goed, maar zijn geleidelijk wel aan velling toe.

De discussie gaat dan over het tempo en de schaal van vellen. Dit in relatie tot het te ontwikkelen bostype. Dunnen en vellen van kleine groepen, is prima voor doorontwikkeling naar een schaduwbos met de soorten die nu al klaar staan in de verjonging. Maar door grootschaliger in te grijpen, en zo meer licht te maken voor de verjonging, kunnen ook de lichtboomsoorten lariks en berk waarschijnlijk een plek krijgen in de verjonging. “Lariks kan dan nog een bosgeneratie mee blijven doen tussen de schaduwboomsoorten”.

Er wordt voorgesteld om de nog vitale eiken vrij te blijven stellen. Zo kan deze boomsoort zich zonder veel extra kosten nog heel lang in het bos handhaven. Ook van andere soorten zouden enkele oude bomen in het bos moeten blijven staan. “Deze krijgen dan de kans om door te groeien tot woudreuzen.” Op lange termijn komen ze dan in een aftakelingsfase, en worden ze heel dik dood hout.

Verjongingsschaal voor lichtboomsoorten

Op de weg terug bekijken we een kleine verjongingsvlakte van ongeveer een halve hectare. Na het vellen van donker douglasbos, ontwikkelt zich hier nu volop verjonging van de lichtboomsoorten grove den, Japanse lariks en berk. Er zijn enkele linden geplant, maar die doen het slecht.

De verwachting is dat zich uit deze verjonging een lariksbos met berk zal ontwikkelen, waarin misschien enkele grove dennen meekomen. De schaal is hier blijkbaar groot genoeg voor de ontwikkeling van lichtboomsoorten.

Iemand geeft aan dat afwisseling van bos met schaduw- en lichtboomsoorten in de tijd, goed kan werken. Na donker bos heb je, zoals hier, een goed kiembed voor lichtboomsoorten. Je hebt dan geen last van concurrentie van soorten als braam of adelaarsvaren. Omgekeerd, kan onder scherm van lichtboomsoorten heel goed verjonging van schaduwboomsoorten opkomen, zoals we zagen op de vorige excursieplek.

Verjongingsvlakte
Verjongingsvlakte van een halve hectare met lichtboomsoorten. Foto Robbert Wolf.

Tot slot

Tijdens de excursie in het Bergerbos hebben we stilgestaan bij de mogelijkheden om hier via Pro Silva beheer actief te sturen in de bosontwikkeling. De focus was daarbij om zowel de natuur- als houtproductiewaarde verder te ontwikkelen.

Het ging over actief beheer dat aansluit bij de spontane bosontwikkeling. Om inspelen op de variatie die er al is. Over sturen op licht- of juist schaduwboomsoorten via de schaal van ingrijpen. Over met de stroom van de successie meebewegen, maar een boomsoort als eik lang in het bos laten meegroeien. Over woudreuzen laten ontwikkelen en gericht en op kleine schaal nieuwe boomsoorten zoals esdoorn inbrengen. En over voldoende licht maken voor ontwikkeling en verspreiding van oud bosplanten.

We hebben veel geleerd van het bos en van elkaar. De algemene indruk was dat gericht sturen in dit gevarieerde bos, voor de toekomst tot nog evenwichtiger en gevarieerder bos zal leiden.

Met dank aan Natuurmonumenten, voor de gastvrijheid en de toelichting tijdens de excursiedagen.

Bronnen

Nyssen, B., J. den Ouden, K. Verheyen & P. Schmitz 2013. Amerikaanse vogelkers: van bospest tot bosboom. KNNV. Niinemets, Ü. & F. Valladares 2006. Tolerance to shade, drought, and waterlogging of temperate northern hemisphere trees and shrubs. Ecological Monographs, 76(4), pp. 521–547.

Reacties

Er zijn nog geen reacties.