Home >> Artikelen >> Van Emmerdennen naar Emmerplenterbos?

Artikelen

Verslag najaarsexcursie Pro Silva 2011

Van Emmerdennen naar Emmerplenterbos?

Een Verslag van Pro Silva door Boudewijn Swart, Robbert Wolf en Ronald Sinke
Met bijdragen van Willem Lammertink en Cor Zuidema
Gepubliceerd op . Er zijn geen reacties.

De Emmerdennen. Ontstaan als stuifzandbebossing aan het eind van de 19e eeuw. Nu één van de meest gemengde en gevarieerde bossen van Nederland, met dank aan de bijzondere groeiplaats. Maar door de "€œnaturgemäߟe"€ inspiratie van de houtvesters Jansen en Blokhuis. Zij zorgden voor de ontwikkeling van een gemengd bos, en hielden dat in stand toen elders in Drenthe gemengd aangelegde bossen op grote schaal werden ontmengd. De Pro Silva excursie van dit najaar was een ontdekkingstocht door dit bijzondere bos: hoe functioneert dit nu, hoe kunnen we sturen in de verdere ontwikkeling, en wat gebeurt er dan?

De excursie vormde een mix van al wandelend bosbeelden bekijken, en nader discussiëren over specifieke situaties in een viertal objecten. Op deze manier ontstond een goed beeld van het functioneren van dit complexe 300 ha grote bosgebied. Grootste eyeopener was wel dat voor het in stand houden van dit zo natuurlijk aandoende, verticaal gestructureerde bos, voortdurend ingrijpen noodzakelijk is. Als niet regelmatig tenminste de bijgroei wordt geoogst, is er te weinig licht voor de gewenste bosontwikkeling.

Bosontwikkeling op rode keileem

Het bosgedeelte dat we als eerste bezoeken, is ruim honderd jaar geleden aangelegd met grove den en eik. Na enkele decennia is het gemengd met douglas, fijnspar, tsuga, zilverspar en berk. De goede groei van al deze soorten hangt samen met de aanwezigheid van rode keileem dicht onder de oppervlakte. Deze goed doorwortelbare, sterk lemige bodem is bijna overal in de Emmerdennen aanwezig. Inmiddels staat hier een hoog opgaand, gemengd maar donker bos, waarin naaldboomsoorten zoals douglas en fijnspar overheersen. De oude grove den staat er nog in, maar heeft geen perspectief meer om lang te blijven.

De excursiedeelnemers geven een hoog rapportcijfer voor de houtproductie- en belevingswaarde van dit bosgedeelte. Maar over de natuurwaarde lopen de meningen uiteen. Het ontbreken van dood hout en van open plekken, het lage aandeel inheemse (loof)boomsoorten en de afwezigheid van een kruidlaag worden als minpunten gezien. De menging wordt als positief ervaren. Ook blijkt de avifauna hier rijk te zijn: vrijwel alle ecologische bos-vogelgroepen zijn goed vertegenwoordigd.

Hoe verder met dit bosgedeelte? Grove den vrijstellen en verzilveren zolang het kan, zeggen velen. Voor de verdere toekomst ziet iedereen bij gebruikmaking van natuurlijke processen een ontwikkeling naar een bos met schaduwboomsoorten. Daarbij zou je als onderdeel van dit proces de beuk (en linde?) in kunnen brengen. Maar misschien is dit niet eens nodig, gezien de aanwezigheid van zaadbronnen in de omgeving. Voorlopig echter gewoon doordunnen en de lichtboomsoorten zo lang mogelijk in de menging houden. Dit blijft in de toekomst ruimere keuzemogelijkheden voor ontwikkeling bieden. Blijvend in het systeem houden van lichtboomsoorten brengt grootschaliger ingrijpen met zich mee. Dit ziet niemand in dit bosgedeelte nog zitten.

Naar een schaduwboomsoortenbos

De tweede excursielocatie is een "€˜wandelobject"€™. Na elke 50 meter een ander bosbeeld! Hier komen meer open, lichtere bosgedeelten voor met een hoger aandeel loofboomsoorten, waaronder beuk. Er staan ook eiken en grove dennen met goed ontwikkelde kronen en voldoende ruimte.

"€˜Niets inbrengen, alleen maar weghalen"€™ is een veel gehoord antwoord op de vraag hoe verder. Dit is heel positief bedoeld: er staan meerdere boomsoorten met goede houtkwaliteit en goede mogelijkheden voor natuurlijke verjonging. Er staan onder andere oogstbare douglas met een prima stamvorm. Er is discussie over de vraag of we hier bij de houtoogst met doeldiameters gaan werken.

Vanuit sommige deelnemers komt hier ook de suggestie naar boven om hier op wat grotere schaal te verjongen, om grove dennen verjonging te krijgen en zo deze voor het bosgebied naamgevende soort voor de lange termijn in het bos te houden. Ook eik krijgt daarmee een kans. Er is in de grotere open plekken echter weinig verjonging van deze soorten te vinden. De aanwezige verjonging duidt ook hier op een lange termijn ontwikkeling naar schaduwboomsoortenbos. Je kunt de menging met lichtboomsoorten alleen in stand houden door veel inspanningen te plegen. Het is daarom de vraag of je dit wel moet willen. Misschien ligt aanpassing van de naam van het bos in Emmerhout of Emmerplenterbos wel meer voor de hand.

We komen tot de (voorzichtige) conclusie dat plenterkap tot de mogelijkheden behoort, met daarnaast een dunningsgewijze uitkap van de slechte of matige kwaliteit van de opvolgende generatie. Hierbij kunnen we de jonge, circa 20 jaar oude bomen bij het oogsten al bevoordelen, terwijl er voldoende oude bomen van een goede kwaliteit overblijven. Opsnoeien van de jonge toekomstbomen kan dan een goede maatregel zijn.

Het is hier duidelijk geworden dat er bij het beheer van dit bos steeds heel veel beslispunten zijn. De blesser heeft een behoorlijk lijstje met punten nodig waarmee hij rekening moet houden. Het beheer van deze opstanden vraagt heel veel inzicht; inzicht dat alleen van een ervaren en goed opgeleide bosbouwer verwacht kan worden.

Stadsbos en kwekerij

Tijdens de lunch gaat een boswachter van de Emmerdennen in op het recreatieve aspect van deze boswachterij, die grotendeels door de stad Emmen ligt ingeklemd. En goede voorlichting aan de recreant en het serieus betrekken van de mensen bij de te nemen beslissingen werpt hier zijn vruchten af.

Het derde excursiepunt bereiken we via een "€œuitgestoven laagte"€. Of is het misschien een oude kwekerij, waarbij de afdeklaag van stuifzand is afgegraven en rondom in een wal is neergelegd. Op deze plek met rode keileem aan de oppervlakte treffen we prachtige lariks aan van zeker 30 meter lengte, gemengd met es (!) en haagbeuk in de tweede etage.

Verjongingsvlakte van grove den

De suggestie voor een grotere verjongingsvlakte ten behoeve van grove den uit object 2, nemen we mee naar het derde object. Op deze locatie zijn op een oppervlakte van 1 ha in 1991 alle Amerikaanse eiken geveld. Alleen een aantal overstaanders van grove den zijn blijven staan. 15 jaar geleden zijn we hier ook met een Pro Silva excursie geweest. Op deze plek troffen we hier toen een massale natuurlijke verjonging van grove den aan.

In de verjonging is nu geen enkele grove den meer te vinden! De oorzaak daarvan is massale sterfte van de jonge grove dennen door schot, en vervolgens enorme concurrentiekracht van de Amerikaanse eiken. Uitlopers en zaailingen van Amerikaanse eiken hebben de verjonging overgenomen, en ook bijna alle andere spontaan bijgemengde soorten, zoals douglas, lariks, berk, beuk en fijnspar leggen het af. Alleen de tsuga weet zich redelijk te handhaven.

Een consequente jeugdverzorging had zeer waarschijnlijk een heel ander beeld opgeleverd. We concluderen dat er uiteindelijk voldoende kwaliteit aanwezig is om met deze opstand verder te kunnen. In ieder geval moeten nu de overige soorten vrijgesteld worden om menging en keuzemogelijkheden te behouden.

Perspectief voor zilverspar

Als laatste excursiepunt bezoeken we een opstand van oude Abies alba (zilverspar), douglas en tsuga met spontane verjongingsgroepen van deze soorten. Deze opstand wordt positief beoordeeld omdat zowel bij de eerste als bij de tweede generatie ruim voldoende bomen van goede kwaliteit te vinden zijn. Toch zijn hier ook zorgen over het ontbreken van lichtboomsoorten in de verjonging (wild?). We stellen ons de vraag welke blesinstructie hier het beste gegeven kan worden: hoogdunning blijven toepassen, of overgaan naar een plentersysteem, waardoor een zwaarder accent bij doeldiameters en houtoogst komt te liggen. De goede kwaliteit van de zilverspar roept de vraag op of deze soort wellicht toch op meer plaatsen kan worden toegepast, nu de Nederlandse bosecosystemen zich steeds verder ontwikkelen. Kan deze boomsoort onderdeel worden van het bostype lariks, berk, beuk, douglas?

Groepsfoto bij dikste douglas
Groepsfoto bij dikste douglas. Foto Willem Lammertink

Naar een mix van plenteren en groepenkap?

Aan het einde van de dag zijn we onder de indruk van het functioneren van dit bos. Zowel op het gebied van houtproductie, als van natuur en belevingswaarde voor de vele recreanten. Als aandachtpunt is genoemd dat op sommige plaatsen de tweede generatie wat nadrukkelijker in het systeem aanwezig had mogen zijn. Dit kan snel verbeterd worden door dikke bomen te oogsten, om daarmee meerdere dunne bomen voldoende groeiruimte te geven.

Ook zijn de dunningen volgens veel excursiegangers te veel gericht geweest op handhaven van de grove den en inlandse eik. "€˜Het is goed om aan deze twee boomsoorten extra zorg te besteden, maar we moeten ze niet heilig verklaren"€™. Terugbrengen van deze lichtboomsoorten lijkt in dit gevarieerde bos op rijke bodem roeien tegen de stroom in.

Moeten we dan meer naar een kleinschalig uitkapbos? Bijzonder is dat de "€˜plenterboom bij uitstek"€™, de zilverspar, het hier heel goed doet. Het is een van de weinige plaatsen in Nederland waar van deze soort oude dikke bomen met goede stamvorm voorkomen. Ook de schaduwverdragende soorten beuk, fijnspar en tsuga doen het goed. Maar andere soorten, zoals douglas en lariks hebben voor een goede vitale natuurlijke verjonging meer licht nodig: biedt een mix van plenteren en groepenkap de beste toekomst voor de Emmerdennen? De meeste excursiegangers denken van wel. Grove den en eik kunnen zich nog lang handhaven in het systeem, maar zullen uiteindelijk verdwijnen. De naam Emmerdennen is dan op termijn cultuurhistorie die herinnert aan de ontstaansgeschiedenis!

Er is in ieder geval meer dan de genoeg reden om over een jaar of 15 opnieuw een Pro Silva bezoek te brengen aan dit boeiende bos!

Reacties

Er zijn nog geen reacties.