Cultuurhistorie

De naam populier
Populus, peppel en popel zijn afgeleid van het Griekse ‘paipolos’, dat trillen betekent en betrekking heeft op de bladeren van de populier, die bij het geringste zuchtje wind bewegen. Ook zegt men wel dat de bladeren van de populier even gemakkelijk in beweging worden gebracht als het volk. De populier werd in het oude Rome veel aangeplant bij publieke plaatsen, vandaar de naam ‘arbor populi’. Ook het Spaanse ‘alamo’ voor populier lijkt verwant te zijn aan ‘alameda’, wat publieke wandelplaats betekent. De Romeinen associeerden het geluid van de peppel met het geroezemoes van het volk – ‘populus’ – in de straten van Rome. De immer ruisende bladeren van de populier worden ook wel vrouwentongen genoemd. Ook de bekende uitdrukking ‘trillen als een espenblad’ houdt verband met het bewegende blad.

De populier in de Germaanse oudheid
Als men de koorts bij een patiënt uit wilde drijven, werd in Saksen aanbevolen om voor zonsopgang naar een populier te gaan, hem met beide armen te omvatten, daarbij uitsprekend:

“Populier, jij oude,
Mij schudt de koude,
Ik breng de koude niet alleen,
77-erlei koude zullen er zijn.”

Saters (bosgoden met horens en bokkenpoten) worden soms afgebeeld met een populierenkrans. In de Middeleeuwen geloofde men dat heksen de toverkracht van de populier benutten voor het maken van heksenzalf en dat ze vergaderingen belegden in de kruinen. Mistels (maretak), toverplanten bij uitstek, groeiden vaak in populieren, wat de reputatie van de populier als toverboom nog versterkte.