Na het planten is een aantal beheermaatregelen noodzakelijk om de beplanting een goede start te geven: inboeten, bescherming tegen wildvraat en onkruidbestrijding. Als het populierenbos eenmaal flink groeit is het beheer over het algemeen veel extensiever dan voor andere bossen. Het beperkt zich tot opsnoeien en eventueel 1 of 2 keer dunnen.
Inboeten
Bij grote uitval kan het nodig zijn om in te boeten. Het is dan wel belangrijk om de oorzaak van de sterfte weg te nemen (voor zover mogelijk).
Bescherming tegen wildvraat
In (bos)gebieden met een grote wilddruk dienen de planten beschermd te worden tegen vraat door konijnen, hazen en reeën, hetzij door spiraalvormige plastic banden of door gaas. Soms wordt een biologisch middel op de stam gesmeerd tegen wildvraat.
Onkruidbestrijding
Vroeger werd veelal onkruidbestrijding uitgevoerd na de aanplant. Dit verkleint de concurrentie om licht, water en voedingsstoffen en de kans op vraat door insecten en zoogdieren. Tegenwoordig wordt dit echter nog maar zelden gedaan om kosten te besparen.
Snoei
Tijdig opsnoeien, bij voorkeur zodra de bomen een diameter van 10-11 cm hebben bereikt op borsthoogte, legt de basis voor de productie van waardevol fineerhout. Snoei hierbij niet zo drastisch hoog op dat slechts een klein kroontje overblijft, omdat dit aanleiding geeft tot aanzienlijk groeiverlies en de ontwikkeling van waterlot stimuleert.
Snoei alleen die bomen op die tot het einde van de omloop blijven staan. Voor de productie van vezelhout is snoei niet nodig. Andere populierenhoutverwerkers stellen daarentegen hoge eisen aan de kwaliteit van het hout, dat zo min mogelijk noesten mag bevatten. Helemaal niet snoeien beperkt later bij de oogst de afzetmogelijkheden. De teler moet dus een afweging maken tussen enerzijds de kosten die hij maakt voor het opsnoeien en anderzijds de meerwaarde die daaruit ontstaat voor de houtverwerkende industrie (en dus een te verwachten hogere prijs voor het hout).
Bij voorkeur moet men zo vroeg mogelijk beginnen met snoeien, zonder dat dit aanwasverlies of de vorming van waterlot tot gevolg heeft. Om een snelle jeugdgroei te bevorderen moet men in de regel de eerste 4 jaar niet snoeien, tenzij er sprake is van vormsnoei en de topscheut bijvoorbeeld een gaffel heeft, waarvan dan één scheut wordt weggenomen. Hoe langer men wacht met de eerste snoeibeurt, hoe dikker de takken zullen zijn. Beperk het snoeien tot een noestvrij stamstuk van 6 tot 8 m is verkregen. Intensief (vorm)snoeien in de levende kroon (zoals nog vaak gebeurt in wegbeplantingen) moet worden vermeden. Zomersnoei in de periode eind mei tot half juli geeft een betere overgroeiing van de snoeiwonden en minder kans op waterlotvorming, in vergelijking tot snoei in de periode van winterrust.
Dunning
Bij de toepassing van kleinere plantafstanden moet er onvermijdelijk worden gedund. Het tijdstip van de dunning wordt o.a. bepaald door de groeisnelheid, de gebruikte kloon, de toegepaste plantafstand, en de afzetmogelijkheden van het gedunde hout op de houtmarkt. Bij populierenbossen met een plantafstand van 4 x 4 of 5 x 5 meter zijn vaak 2 dunningen nodig, bij plantafstanden tussen 4 x 8 en 5 x 10 meter is vaak één dunning noodzakelijk. Bij elke dunning wordt het stamtal ongeveer gehalveerd. Vaak wordt dit gedaan door om de rij een rij te verwijderen, een systematische dunning dus. Omdat populierenopstanden bijna altijd uit één kloon bestaan en daardoor relatief homogeen zijn, kan er systematisch gedund worden naar de plaats die de bomen in de beplanting innemen. Uiteraard kan er ook voor gekozen worden om de slechtste bomen weg te halen die in groei zijn achtergebleven, of die beschadigd zijn. De groeioppervlakte per boom zal dan wel meer verschillen.