Planten

In de kruidlaag van populierenbossen op voormalige landbouwgronden komen grote brandnetel (Urtica dioica) en andere stikstof- en fosforminnende kruiden erg snel tot dominantie. Vaak wordt aangenomen dat de populier hiervoor verantwoordelijk is. De overheersing van brandnetels is echter het gevolg van de hoge voedselrijkdom van de bodem van deze groeiplaatsen en niet van de verrijkende werking van het bladstrooisel van de populier. Wel houdt deze vegetatie lang stand door het grote lichtdoorlatende karakter van de populier. Bij de meeste andere boomsoorten verdwijnt de gehele kruidlaag na verloop van tijd door gebrek aan licht.

We vinden niet vaak typische bosplanten in populierenbossen. Dit is niet zozeer het gevolg van de aanwezigheid van populier, maar van de leeftijd van deze bosgroeiplaatsen en de mate van isolatie ervan. Populierenbossen zijn vaak aangelegd op voormalige landbouwgronden, waarin geen kiemkrachtig zaadmateriaal van deze planten meer aanwezig is. De typische bosplanten moeten zich dus opnieuw vestigen en hier is door het beperkte kolonisatievermogen van deze soorten veel tijd voor nodig.

In populierenbossen die langer dan een eeuw beplant zijn geweest, komen dergelijke kenmerkende bosplanten wel voor, zoals bijvoorbeeld boszegge (Carex sylvatica), eenbes (Paris quadrifolia), wilde kardinaalsmuts (Euonymus europaeus), gewoon speenkruid (Ficaria verna subsp. verna) en bosanemoon (Anemone nemorosa). Als ze er maar de tijd voor krijgen, kunnen ook populierenbossen zich ontwikkelen tot een ecosysteem met een hoge botanische waarde. Dit proces kan versneld worden door verarming van de landbouwgronden, maar dat is een langdurig en kostbaar proces. Door het aanplanten van struiken die weinig licht doorlaten, zoals hazelaar (Corylus avellana), kan de ondergroei van grote brandnetel en andere ruigtekruiden beperkt worden.