Plagen

In Nederland en Vlaanderen kunnen ongeveer 200 insectensoorten van de populier leven, de meeste daarvan ook van andere katjesdragers, zoals wilg, els en berk. Slechts een zeer gering aantal komt op allerlei soorten loofbomen voor.
Gelukkig zijn niet alle insectensoorten schadelijk, hetgeen wil zeggen dat zij niet of zelden in een schadelijk aantal voorkomen of dat de bomen zich doorgaans na een massale aantasting zonder noemenswaardige problemen herstellen.

Van de wél schadelijke insecten vormen de houtboorders een groep die de kwaliteit van het hout als werkhout vermindert en als zodanig van bijzondere betekenis is voor de houtproductie. Voor laanbomen kan verzwakking van het hout een verhoogd risico inhouden voor de verkeersveiligheid. Met name de wilgenhoutrups, de populierenglasvlinder en de horzelvlinder worden aangemerkt als serieuze bedreigingen in de populierenteelt.

Verder kunnen enkele bladvretende insectensoorten de boom zo nu en dan kaalvreten. Het grote regeneratievermogen van de populier draagt er echter toe bij dat deze schade, zelfs nadat een beplanting enkele jaren achtereen wordt kaalgevreten, in de regel beperkt blijft tot aanwasverlies. Hieronder worden de belangrijkste insectensoorten behandeld, gerangschikt naar de plaats waar de schade plaatsvindt.

Wortelbeschadigers
Horzelvlinder (Sesia apiformis)
De horzelvlinder is vooral van belang voor weg- en dijkbeplantingen, waar hij het wortelstelsel beschadigt. De vlinder laat vanaf een tak een groot aantal eitjes op de grond vallen. De uitkomende rupsen dringen via schorsspleten of andere zwakkere plekken in de bast de boom binnen aan de stambasis. Vervolgens vreten ze zich tussen de bast en het hout in neerwaartse richting tot zo’n 20 cm onder het maaiveld. Daar overwinteren ze, waarna de vreterij doorgaat tot het najaar. Na de overwintering verpopt de rups zich tot vlinder en zijn ronde, ca. 5 mm grote uitvliegopeningen in de schors te zien tot ongeveer 50 cm boven de grond.

Stam-, tak-, en twijgboorders
De vertegenwoordigers van deze groep veroorzaken de meeste schade. Stammen en takken waarin boorders gangen hebben gemaakt lopen een groot risico om door wind om te vallen of af te breken. Bovendien levert het minderwaardig hout op. Ook vormen boorgangen gemakkelijke wegen voor houtrotveroorzakende schimmels om zich snel in de boom te verspreiden.

Wilgenhoutrups (Cossus cossus)                      
De vlinders vliegen in juni en juli. Het wijfje legt de eieren (tot 700 stuks) groepsgewijs in schorsspleten en wonden. De uit de eieren te voorschijn komende rupsjes zoeken naar plaatsen waar het hout door verwonding is blootgelegd. Als dit niet lukt, gaan ze dood. Deze plaatsen worden aangevreten, waarna de rupsen dieper in het hout dringen naarmate ze ouder worden. Als gevolg van onderlinge concurrentie kunnen de oudere rupsen een boom verlaten om zich in naburige bomen te boren. Oude rupsen zijn namelijk in staat om zich door gezonde bast heen te boren. Nadat de rups drie- tot viermaal in de boom (in het volwassen stadium ook in de grond), heeft overwinterd, vindt de verpopping in mei in een stevige cocon van houtknaagsel respectievelijk gronddeeltjes plaats. De aantasting is te herkennen door ovale gaten in de schors of het kale hout, proppen zaagsel met excrementen en gistende plantensappen en onregelmatig verlopende gangen in het hout. Om aantasting te voorkomen moeten beschadigingen aan de boom zoveel mogelijk worden voorkomen of worden ingesmeerd met een wondafdekkingsmiddel. Aangetaste bomen kunnen het beste verwijderd worden teneinde de plaagdruk niet te hoog te laten oplopen. Overigens is de wilgenhoutrups niet specifiek voor de populier. Naast wilg komt hij ook voor op onder andere iep, els, es en zomereik.

Populierenglasvlinder (Paranthrene tabaniformis)  
De in juni vliegende vlinders laten evenals de horzelvlinder de eitjes op de grond vallen. De rupsjes boren zich bij voorkeur in op plaatsen waar in de schors van jonge bomen beschadigingen of zwakke plekken voorkomen, zoals snoeiwonden en bladlittekens. Naarmate zij ouder wordt, boort de rups zich tot in het merg van de jonge stam of tak. In de regel overwintert zij tweemaal. Aantasting kan worden ontdekt door galachtige verdikkingen aan de jonge stam of tak, soms met uitvliegopeningen en tot 30 cm lange verticale gangen in hout of merg. Het belangrijkste effect van een aantasting is dat stammetjes van jongere bomen op de verzwakte plaatsen kunnen afbreken, waardoor er al op geringe hoogte dubbele toppen kunnen ontstaan, die de kwaliteit van het stamhout als werkhout verminderen. Aantasting kan worden tegengegaan door beschadiging van de bomen te voorkomen en opsnoeien uit te stellen tot augustus. Deze periode is ook gunstig met het oog op waterlotvorming als reactie op de snoei.

Grote populierenboktor (Saperda carcharias)          
De vliegtijd van de kevers is van juli tot november. Het wijfje legt de eitjes (ongeveer 30 stuks) telkens afzonderlijk in een tevoren geknaagd nisje in stammen van goed groeiende populieren van 5 tot 20 jaar. Tijdens de lange vliegperiode voedt de kever zich met het blad. Hij vreet er gekartelde, nagenoeg ronde gaten in ter grootte van een 2-euromunt. Nadat het ei heeft overwinterd, verschijnt in mei het larfje dat zich enige tijd met het cambium voedt. Als zij ouder wordt, boort de larve zich in opwaartse richting in het hout. De levenscyclus is driejarig, omdat behalve het ei ook de larve (tweemaal) in de stam overwintert. De aantasting is te zien aan ovale openingen in de schors van de stam en lange, grove boorspanen. Aantasting wordt bevorderd door kunstmatig licht, bijvoorbeeld van wegverlichting.

Wilgesnuitkever (Cryptorrhynchus lapathi)  
Deze kever heeft een tweejarige levenscyclus, waarvan de larve en de kever beide schadelijke stadia zijn. Vanaf maart/april vreet de larve gangen tussen bast en hout. De bast in de omgeving van deze boorgangetjes verkleurt roodbruin. Door de vorming van wondweefsel treedt hier later een verdikking op. Oudere larven kunnen tot 10 cm lange gangen in het hout knagen. Na verpopping na de winter plegen de kevers rijpingsvraat aan de jonge twijgen. Door deze vreterij van larve en kever kan verwelken van de bladeren, verdorren van de twijgen, sterven van takken of zelfs sterven van jonge boompjes optreden. Bij de populier kan aantasting door de keverlarve verward worden met die van de rups van de populierenglasvlinder. De larven van beide insecten zijn echter verschillend. De keverlarve is vuilwit met een bruine kop. De rups van de populierenglasvlinder kan tot 20 mm lang worden, heeft poten en is geelwit met een donkere rugstreep en zijn kop en halsschild zijn donkerbruin. De volwassen kever is een zwarte of grijsbruine snuitkever die 6 tot 9 mm lang kan worden.

 

Populierenscheutboorder (Gypsonoma aceriana)     
In april/mei worden de bladknoppen, waaronder de rupsen die in een spinseltje overwinterd hebben, uitgevreten. Daarna boort de rups zich in het zich ontwikkelende lot. Symptomen die hierdoor ontstaan zijn het verwelken en verdrogen van ontluikende knoppen en scheuten, en het voorkomen van uitgeholde scheuten. Aan de uitgeholde scheuten hangen bruine kommavormige excrementenzakjes. Als gevolg van de vreterij kan vorming van dubbele scheuten en waterlot optreden. De volwassen rups is geelbruin met een donkerbruine kop en halsschild. De rups is 8-10 mm lang. Plagen treden vooral op in opstanden waarvan de vitaliteit niet optimaal is. Een plotseling optredende droogteperiode in mei en juni bevordert het uitbreken van een plaag.

Kleine populierenboktor (Saperda populnea)           
De kevers vliegen in mei en juni. Voordat het ei wordt afgezet, knaagt de kever een hoefijzervormige plek in de bast. Daarbinnen wordt het ei in een nisje gelegd. De larve vreet eerst oppervlakkig tussen bast en hout en maakt later een spiraalsgewijze verlopende gang naar het merg, waarin een gang van ten hoogste 5 cm lengte wordt gemaakt. De levenscyclus is tweejarig. De aanwezigheid van deze boktor is te herkennen aan plaatselijk galachtige verdikkingen op jonge stammetjes of takken vanaf potlooddikte.

Populierenscheutboorder
Rups van de satijnvlinder

Bladbeschadigers

Satijnvlinder (Leucoma salicis)         

In augustus/september skeletteren de jonge rupsjes de bladeren aan de onderzijde. De bladeren kleuren vervolgens bruin. De jonge rupsjes zijn donkerbruin tot zwart en licht behaard. De maximale lengte van de rupsjes is 5 mm. Zij overwinteren in spinsels tussen schorsspleten en komen in april/mei weer tevoorschijn, waarna zij de grootste schade veroorzaken. Zo werden na een plaag door de satijnvlinder in Flevoland bijgroeiverliezen geconstateerd tot ongeveer 60%. De bladeren worden tot aan de bladvoet afgevreten. Vaak treedt kaalvreterij op. In de zomer komen de bomen weer in het blad. De volwassen rups is donkergrijs of bruin en sterk behaard. Op de rug bevinden zich een serie witte of gele vlekken en enkele rode wratten. De rupsen kunnen tot 45 mm lang worden.

Regelmatig worden ergens in Nederland populieren door de rupsen van de satijnvlinder kaalgevreten, alhoewel de frequentie waarin de plagen optreden, vergeleken met eind vorige eeuw lijkt af te nemen. In een bepaald gebied zal de aantasting als regel niet langer duren dan vier achtereenvolgende jaren. Een aantal parasieten en predatoren kan een plaag namelijk abrupt beëindigen.

Kleine wintervlinder    (Operophtera brumata)         
De wijfjes, die niet kunnen vliegen, kruipen tegen de stam omhoog en leggen de eieren afzonderlijk aan de takuiteinden. Uit de eieren, die overwinteren, verschijnen in april en mei de rupsjes. Binnen een los spinsel van aan elkaar gesponnen bladeren vreten ze aanvankelijk gaten in het blad. In een later stadium worden de bladeren geheel opgevreten. In juni laat de volwassen rups zich aan de spinseldraad op de grond zakken, waar in het strooisel de verpopping plaatsvindt. Er is één generatie per jaar. De rupsen van de kleine wintervlinder kunnen in bepaalde jaren zo massaal optreden, dat vooral jonge beplantingen volledig worden kaalgevreten. De aantasting is te herkennen aan geheel of ten dele samengesponnen bladeren, waarbinnen de vreterij plaatsvindt. De vreterij lijkt op die van de groene eikenbladroller, die echter uitsluitend op eik voorkomt. Overigens is de kleine wintervlinder niet specifiek voor de populier, hij komt op meerdere boomsoorten voor, ook op de zomereik.

Populierenmineermot (Paraleucoptera sinuella)      
De vlindertjes vliegen in mei en nogmaals in juli/augustus. Zij leggen de eitjes in een rij of in groepjes van ten hoogste 15 stuks op de bovenkant van het blad. De rupsjes boren zich na het uitkomen door de epidermis en voeden zich met het bladmoes (mineren). De verpopping vindt plaats in juli en in september binnen een cocon van witte spinseldraden die aan allerlei plantendelen hangt, meestal aan de onderzijde van het blad. De pop overwintert. Er zijn twee generaties per jaar. De aantasting vindt vooral in de onderste helft van de kroon plaats. Omdat het bladmoes wordt weggevreten, kleurt het blad spoedig donkerbruin en valt vervroegd af. Komt dit insect in grote aantallen voor, hetgeen met twee generaties per jaar snel kan gebeuren, dan zullen in het bijzonder de jonge bomen ernstig te lijden hebben. Door secundaire aantastingen, zoals bijvoorbeeld de populierenscheutboorder, wordt het effect van een aantasting nog eens versterkt. De aanwezigheid van de populierenmineermot is te zien aan bladeren met zwart verdroogde, min of meer ronde plekken als gevolg van weggevreten bladmoes. De bladeren in de onderste helft van de kroon kunnen geheel verdorren.

Groot en klein Populierenhaantje (Chrysomela populi en Chrysomela tremulae)
Het populierenhaantje is een kever met een glimmend donker blauwgroen tot  tot oranjerood gekleurd dekschild. De volwassen kever is ca. 1 cm groot. De larven zijn vuilwit van kleur met behaarde wratjes over het lijf en zijn 12-14 mm lang. Zowel de volwassen kever als de larven vreten het blad, vaak als eerste tussen de hoofdnerven (skeletteren). Bij massale aantasting kan de schade op jonge bomen in onder meer boomkwekerijen aanzienlijk zijn. De boom herstelt zich doorgaans echter snel door de vorming van nieuw blad in hetzelfde groeiseizoen. De uiteindelijke schade is dan ook meestal beperkt en er is weinig noodzaak om een keverplaag te bestrijden. Volwassen kevers overwinteren in de bodem of onder afgevallen blad. In april begint de bladvraat en de eieren die worden gelegd komen in mei uit. In juni verpopt de larve en in juli verschijnt de tweede generatie kevers die wederom eieren legt die zich in september ontwikkelen tot volwassen kevers die vervolgens overwinteren. Zowel de larven als de kevers bevinden zich vaak groepsgewijs bij elkaar. Naast het populierenhaantje kunnen populieren ook worden aangetast door het wilgenhaantje (Phyllodecta spp.). Deze is wat kleiner en heeft een glimmend blauwzwart tot bronzen kleur. Aantastingsbeeld en schade komen sterk overeen met die van het populierenhaantje.