Soort- en kloonkeuze

Links: ‘Robusta’, rechts: ‘Koster’

In Nederland komen in het bos en in landschappelijke beplantingen hoofdzakelijk de volgende soorten populieren voor: abelen, ratelpopulieren, zwarte populieren, Canadese populieren, zwarte balsempopulieren en balsempopulieren (hybriden). Elke soort of hybride bestaat weer uit een groot aantal klonen of rassen (zie tabel 1). Sommige klonen van de Canadese populier, zoals Serotina, Marilandica, Gelrica en Robusta, komen al vanaf eind 18de eeuw voor in Nederland. Andere klonen zoals Albelo, Degrosso & Polargo, zijn pas recent uitgegeven.

Tabel 1   Indeling populierensoorten en -klonen

(Bron: NPC, 1982, 1984; Probos, 2006; Rassenlijst Bomen, 2019)

SoortKruising vanMetKlonen
Witte abeel(Populus alba)P. alba (Eur.)–Nivea, Pyramidalis, Raket
Grauwe abeel(P. x canescens)P. alba (Eur.)P. tremula (Eur.)Bunderbos, De Moffart, Enniger, Schubu, Witte van Haamstede
Ratelpopulier (esp)(P. tremula)P. tremula (Eur.)–Erecta
Zwarte populier(P. nigra)P. nigra (Eur.)–Ankum, Brandaris, Italica, Loenen, Schoorldam, Loenen, Vereecken, Wolterson
Canadese populier1(P. x canadensis)P. deltoides (Am)P. nigra (Eur.)Agathe F, Albelo, Degrosso, Dorskamp, Ellert, Florence Biondi, Gaver, Gelrica, Ghoy, Hees, Heidemij, Koster, Marilandica, Muur, Polargo, Primo, Robusta, Sanosol, Serotina, Spijk, Vesten
Westamerikaanse BalsempopulierP. trichocarpa (Am.)–Blom, Fritzi Pauley, Heimburger
BalsemhybridenP. deltoides (Am.)P. trichocarpa (Am)Barn, Beaupré, Donk
 P. deltoides (Am.)P. suaveolens (Azië)Bakan, Skado, Suwon
 P. suaveolens (Azië)P. x berolinensis (Siberië)Oxford, Geneva
 P. suaveolens (Azië)P. nigra (Eur.)Rochester
 P. suaveolens (Azië)P. trichocarpa (Am.)Androscoggin

1 Populus x euramericana = P. x canadensis

 Voor een beschrijving van de verschillende populierensoorten en -klonen, klik hier (Probos, 2006)

Een verkeerde soortenkeuze of klonenkeuze kan tot teleurstelling leiden. Het is daarom belangrijk om goed te overwegen welke populierenkloon men op een bepaalde plaats wil aanplanten. Kennis van de specifieke eigenschappen van de verschillende populierenklonen (zoals  groeisnelheid, boomvorm, of tijdstip van uitlopen) is niet voldoende om een verantwoorde klonenkeuze te maken. Daarvoor is ook inzicht nodig in de kwaliteit van de bodem en groeibeperkende factoren zoals wind, zout en andere klimaatomstandigheden (bijvoorbeeld late nachtvorst). Bovendien moet het gebruiksdoel duidelijk zijn:

  • solitaire parkboom of straat- en laanbomen in stedelijke gebieden;
  • in landschappelijke beplantingen of windsingels;
  • als productieboom of als bosboom in het kader van bos- en natuurontwikkeling.

In Nederland en België worden populieren voor de helft in bosverband en voor de andere helft in rij- en wegbeplantingen aangelegd.

Populus x canadensis ‘Marilandica’

Kwaliteit van de bodem
Voor de meeste populierenklonen moet de bodem een goede vochtvoorziening hebben. Snelgroeiende populieren hebben immers gedurende de vegetatieperiode (eind maart tot eind september) behoefte aan grote hoeveelheden water. Bij voorkeur daalt in de vegetatieperiode de grondwaterstand niet beneden 2 m , maar moet ook niet ver boven 60 cm komen. Ondiep grondwater leidt tot vlakke beworteling en dat vergroot het risico van omwaaien. Er mogen geen lagen in het bodemprofiel voorkomen, die voor boomwortels moeilijk doordringbaar zijn.

De grond moet voldoende vruchtbaar zijn. Op klei, zavel, leem en leemrijk zand kunnen bijna alle populieren worden aangeplant. Op vruchtbare, niet te zure veengrond kunnen de meeste populieren eveneens goed groeien, mits de ontwatering voldoende is. Op humeuze, niet te zure leemarme zandgrond is de groei over het algemeen redelijk. Bij andere bodemtypen kunnen de resultaten flink tegenvallen.

De zuurgraad van de bodem is eveneens een belangrijke factor voor de beoordeling van de geschiktheid voor aanplant van populieren. Zeer gunstig is een pH>6. pH waarden tussen 5 en 6 zijn redelijk; pH<5 is ongunstig. Populier houdt niet van te droge, te zure, te natte of te arme groeiplaatsen. Plant men onder dergelijke omstandigheden toch populieren aan, dan kunnen de resultaten flink tegenvallen. 

Beperkende factoren
Wind is de belangrijkste groeibeperkende factor voor de meeste populierenklonen. Omdat de wind van plaats tot plaats sterk kan verschillen, moeten ook plaatselijke omstandigheden meegenomen worden in de overweging om al dan niet populieren aan te planten.

De aanwezigheid van lariks binnen een afstand van 3 km van een populierenbeplanting vergroot de kans op aantasting door bladroest, omdat lariks als zgn tussenwaardplant optreedt van deze roestschimmel. Tussen klonen bestaat overigens een grote variatie in de mate van gevoeligheid (of tolerantie) voor roest, die wel kloonafhankelijk is.

In stedelijke gebieden kan de vorming van zaadpluis van vrouwelijke klonen overlast geven. Dit is te voorkomen door mannelijke klonen te kiezen.

Voor Nederland zijn er met betrekking tot wind drie zones, die de aanplantmogelijkheden van populier bepalen:

  • Het kustgebied
  • Een overgangszone
  • Het binnenland

Het kustgebied omvat grote delen van Groningen, Friesland, Noord-Holland, Zuid-Holland en Zeeland. Klonen met een goede weerstand tegen wind zijn hier het meest geschikt (zie tabel 2). Roest is hier over het algemeen niet zo’n groot probleem, omdat er weinig lariks is aangeplant in het kustgebied.

In de overgangszone liggen de verder van de kust verwijderde delen van Groningen, Friesland, Noord-Holland, Zuid-Holland en Zeeland en delen van Flevoland, Overijssel, Gelderland, Utrecht en Noord-Brabant. De meeste in de handel verkrijgbare klonen zijn geschikt voor aanplant in deze overgangszone, voor zoverre er geen lariks voorkomt in de omgeving. In Flevoland kan plaatselijk aantasting door de glasvlinder optreden, waardoor bepaalde klonen beter niet kunnen worden aangeplant (bijvoorbeeld geen populieren met balsem-bloed).

In het binnenland waar geen windschade of overmatige roestaantasting te vrezen is, kunnen de meeste populieren worden aangeplant. Ook hier geldt weer het voorbehoud, dat als er gevaar bestaat voor roest vanwege het voorkomen van lariks in de onmiddellijke omgeving, de klonenkeuze zich beperkt tot roesttolerante variëteiten.

Tabel 2  Aanbevolen klonen voor het kustgebied
SoortKlonen
Witte abeelPyramidalis
 Nivea
Grauwe abeelEnniger
 Schubu
 De Moffart
 Witte van Haamstede
Ratelpopulier (esp, trilpopulier)Erecta
 Tapiau
Zwarte populierAnkum
 Brandaris
 Schoorldam
 Wolterson
 Vereecken
 Loenen
Euramerikaanse populierRobusta
 Hees
 Ellert
 Koster
 Muur

3 In de overgangszone en in het binnenland is de keuze nog ruimer omdat tevens meer windgevoelige klonen aangeplant kunnen worden. Weerstand tegen bladroest, bacteriekanker, Marssonina-bladvlekkenziekte, schorsbrand en gevoeligheid voor late nachtvorst en zout zijn mede bepalend voor de klonenkeuze.

Door de aanplant van meerdere klonen kunnen de teeltrisico’s worden beperkt. Voor een beschrijving van de verschillende populierensoorten en -klonen, klik hier (Probos, 2006)

Het herkennen van de verschillende rassen is niet eenvoudig. De bladeren en schors lijken vaak sterk op elkaar. Het verschil is meestal het best te zien tijdens de bladontluiking. Er zit een periode van ongeveer anderhalve maand tussen het eerst en laatst uitlopende ras. De Robusta ontluikt bijvoorbeeld half april en de hekkensluiter is de ratelpopulier, die in de tweede helft van mei in blad komt. Bovendien variëren de kleuren van het jonge uitlopende blad sterk van zacht geelgroen via bruin tot vrijwel rood. De volgende tabel 3 kunt u gebruiken voor het onderscheiden van de verschillende rassen op basis van de ontluikingskenmerken.

Tabel 3

Ras

Fritzi Pauley
Geneva
Blom
Heimburger
Androscoggin
Oxford
Rochester
Dorskamp
Flevo
Italica
Heidemij
Robusta
Zeeland
Raket
Vereecken
Rap
Barn
Marilandica
Spijk
Agathe F
Florende biondi
Loenen
Harff
Tardiff de Champagne
Gelrica
Donk
Wolterson
Serotina

Tijdstip van uitlopen *

1
1
1
1
1
1
1
2
2
2
2
2
2
2
2
3
3
3
3
3
3
3
3
3
4
4
5
5

Bladkleur bij het uitlopen

Bruingroen
Groen, iets bruin
Lichtgroen
Groen
Groen, iets bruin
Groen
Groen, iets bruin
Donkerbruinrood
Bruinrood
Bruingroen
Bruinrood
Bruinrood
Bruinrood
Grijsgroen, iets bruin
Bruingroen
Groen
Groen
Bruingroen **
Bruingroen
Bruinrood
Groenbruin
Bruingroen
Donkerbruinrood
Lichtbruinrood
Bruinrood
Groen
Lichtbruingroen
Bruingroen

*: Onder gemiddelde weersomstandigheden komen de klonen van groep 1 in de eerste helft van april in blad en die van groep 5 in de eerste week van mei. De meeste P canescens-klonen komen medio april overwegend viltig in blad, ongeveer gelijktijdig met ‘Robusta’.

**: Spoedig na uitlopen lichtgroen.