Overige bedreigingen

In de volgende paragrafen gaat het vooral om groeistoornissen die worden veroorzaakt door abiotische (fysische) factoren zoals zoutschade, wateroverlast, etcetera. Een aantal daarvan zijn direct dan wel indirect toe te schrijven aan antropogene (menselijke) invloeden. Het betreft invloeden die niet specifiek zijn voor de populier, ze gelden in meer of mindere mate voor alle andere boomsoorten. Toch moet hiermee wel rekening gehouden worden bij de keuze van het meest geschikte ras op een bepaalde standplaats.

Wind
De vormen van schade die wind in beplantingen aanricht zijn divers: ontworteling, top-, tak- en stambreuk en bladbeschadiging. Het ontwortelen van populieren komt voornamelijk voor op groeiplaatsen waar de bewortelingsdiepte gering is, bijvoorbeeld als gevolg van een permanent hoge grondwaterstand of van de aanwezigheid op geringe diepte van een voor wortels ondoordringbare laag. Echter, niet alleen een ondiepe maar ook een eenzijdige beworteling kan windworp bevorderen: bomen die te dicht bij een sloot geplant zijn of er door afkalving te dichtbij zijn komen te staan, lopen het risico bij storm om te vallen. Bij pas geplante populieren is om- en scheefwaaien meestal te voorkomen door ze dieper te planten en door niet te grote bomen als plantmateriaal te gebruiken. Het gebruik van boompalen is dan overbodig, behalve als op plaatsen met zeer veel wind om een of andere reden toch groot meerjarig plantmateriaal moet worden gebruikt. Overigens is dan het gebruik van een zwaarder formaat poten soms ook te overwegen.

Tak-, top- en stambreuk komt niet alleen bij populier voor maar ook en evenzeer bij veel andere boomsoorten. Het is dan ook niet juist om dit als een specifiek nadeel van de populier te beschouwen. Het meest voorkomend is takbreuk. Tijdens storm kan echter ook de hele top of een gedeelte van de kroon afbreken. In veel gevallen is dan niet de storm de eigenlijke oorzaak. Een plaatselijke verzwakking in de stam, bijvoorbeeld door aantasting van de wilgenhoutrups en de grote populierboktor of houtrot veroorzakende schimmels (soms herkenbaar door de aanwezigheid van spechtenholen) of andere zwakke plekken in de stam, zoals ingerotte snoeiwonden, zijn zeer vaak de primaire oorzaak van breuk bij storm.

Het volledig doorbreken van de stam onder de kroon komt soms voor, niet alleen tijdens storm maar zelfs bij geringere windsnelheden. Het breukvlak is dan meestal aan één zijde vrij glad, als gevolg van een eerder opgetreden mechanische overbelasting die de stam ter plaatse heeft verzwakt.

Bladbeschadiging kan eveneens een gevolg van wind zijn. Meestal gaat het om zeewind. Tijdens hevige stormen, in voorjaar en zomer, kunnen in het kustgebied door de invloed van zout de randen van de bladeren verdorren. Soms treedt bladval op en sterven de toppen van jonge scheuten in. Verder kan bij blootstelling aan zeewind ten tijde van het uitlopen het jonge blad grotendeels of volledig afsterven, waarna de boom opnieuw moet uitlopen. Bij sterke blootstelling aan de zeewind, waarbij ook druppels met zout water de boom bereiken, kunnen soms ook de knoppen al zijn verdord voordat het blad uitloopt. Wanneer dit te vaak voorkomt zal de boom het op deze locaties uiteindelijk laten afweten. De gevoeligheid voor zeewind en spatzout varieert sterk per populierensoort. P. alba en P. x canescens zijn relatief minder gevoelig en worden dan ook frequent toegepast in windsingels rondom boerderijen nabij de kust.

Wanneer het gaat om ‘gewone’ wind, op plekken waar de wind vrij spel heeft, dan kan dat aanleiding zijn tot scheefgroei van de bomen vanaf de overheersende windrichting. Tot de klonen die een goede weerstand tegen de wind hebben behoren de P. x canadensis ‘Robusta’, ‘Zeeland’ en ‘Heidemij’ en P. nigra ‘Vereecken’. Ook de Euramerikaanse populierenrassen ‘Agathe F’ en ‘Florence Biondi’ blijken een redelijke windresistentie te bezitten. Dezelfde verwachting bestaat ook voor de meer recent in de handel gebrachte P. nigra klonen. In het algemeen kan van P. nigra worden gezegd dat hij weinig gevoelig voor wind is, alhoewel de soort op minder beschutte plaatsen altijd wel enige scheefgroei laat zien. In sterk aan de wind blootgestelde gebieden moet het gebruik van balsempopulieren, hybride balsempopulieren en zwarte balsempopulieren voor weg- en grensbeplantingen voorlopig worden ontraden. Dit geldt overigens ook voor Euramerikaanse rassen zoals Robusta, Heidmij en Gelrica, in verband met de kans op stambreuk bij jongere bomen. Een kloon waarbij al op jonge leeftijd veelvuldig topbreuk voorkomt is de West-Amerikaanse balsempopulier ‘Fritzi Pauley’; vooral tijdens onweersbuien met rukwinden breken in de zomer nog wel eens gehele toppen uit de bomen. De ervaringen met grauwe abelen zijn wat dat betreft beduidend beter, maar ook deze vertonen bij veel wind vaak scheefgroei.

Hagel
Hagelbuien richten vrijwel alleen in het groeiseizoen schade aan. Behalve bladeren kunnen ook de bast van takken en, bij jonge bomen, ook de stammen zwaar beschadigd worden. Daarbij ontstaan talrijke scheurtjes. Deze wondjes zijn, afhankelijk van de aangerichte schade en de vitaliteit van de beplanting, meestal snel overgroeid, maar de littekens blijven lang zichtbaar. Bij oudere bomen (met een dikkere bast) richt hagel weinig schade aan en is van weinig betekenis voor de productie van kwaliteitshout.

Bliksem
In het volksgeloof is populier een van de voor bliksem gevoelige boomsoorten. In de praktijk blijkt echter dat blikseminslag bij een breed scala aan boomsoorten voorkomt (o.a. zomereik, beuk, Douglasspar). Vaak zijn daarbij fysische factoren, die op het moment van ontlading de geleiding van de bliksem bepalen, zoals de vochtigheid van de (bast van de)  stam en de diepte van eventueel aanwezig grondwater, van cruciale invloed. Blikseminslag treedt meestal op bij alleenstaande bomen die, als de stam eenmaal zwaar beschadigd is, alleen nog maar waarde als vezelhout hebben.

Nachtvorst
Jonge populieren kunnen zowel in het voorjaar als in het najaar door nachtvorst worden beschadigd. Door najaarsvorst sterven de toppen van niet goed afgerijpte scheuten in. Klonen met een te zuidelijke herkomst lopen daarbij een groot risico, evenals, op de kwekerij, bomen die te zwaar met stikstof zijn bemest. Het tijdstip waarop de nachtvorst optreedt is eveneens van belang: in oktober of november veroorzaakt nachtvorst minder schade dan in september. In jonge beplantingen op erg nachtvorstgevoelige plaatsen komt het een enkele maal voor dat de planten geheel of gedeeltelijk afsterven. Schade door nachtvorst in het voorjaar komt veel meer voor. Daarbij is niet alleen de mate van vorst maar ook het uitloopstadium van de knoppen zeer belangrijk. De bomen zijn namelijk het gevoeligst als de bladeren zich gaan ontvouwen. Omdat tussen de klonen een groot verschil bestaat in het tijdstip waarop het blad uitloopt, is het van het moment van de nachtvorst afhankelijk welke klonen wel en welke geen schade lijden. In gevallen van lichte schade zijn alleen de randen van de bladeren verdord; in ernstiger gevallen verwelken de bladeren en sterven de jonge scheutjes af. Alleen na zeer strenge nachtvorst kunnen jonge bomen geheel of gedeeltelijk afsterven of ontstaan op de stam dode plekken. Dit kan worden versterkt door aantastingen door de -op dat moment- zwakteparasiet Pseudomonas syringae.

Wintervorst
Vorstscheuren in de onderste meters van de stam zijn de meest bekende vorm van wintervorstschade. Deze radiaal in schors en buitenste houtlagen verlopende scheuren kunnen een lengte van enkele meters bereiken. Ze worden overwegend aan de zuidzijde van de stam aangetroffen. De scheuren kunnen oppervlakkig zijn maar ook vrij diep gaan, soms tot in de kern van de boom. Vorstlijsten, vooruitstekende richels op de stam, ontstaan doordat de vorstscheuren meermalen opengesprongen en vervolgens weer overgroeid zijn. Overigens kunnen deze ‘vorstlijsten’ ook ontstaan vanuit oude, inmiddels overgroeide stamverwondingen als primaire oorzaak voor het optreden van te grote spanningen in het hout van de stam op die plek.

Vorstscheuren overgroeien in het algemeen snel, hoewel in dit opzicht tussen de klonen verschillen bestaan. Dit heeft vooral te maken met verschillen in aanwas van de stam, die sterk gecorreleerd is aan de snelheid van overgroeiing van stamwonden. Schade door late wintervorst treedt op als een relatief warme periode in januari en vooral februari wordt gevolgd door een vorstperiode van verscheidene dagen. De schade is groter naarmate de temperatuurverschillen groter zijn. Populieren kunnen als gevolg van deze vorst zwaar beschadigd worden, doordat bast en cambium van stammen en takken plaatselijk afsterven. Bij oudere bomen wordt deze schade soms zichtbaar in de vorm van een smalle spleet in de schors, waarvan de randen later door uitdroging naar binnen omkrullen. In hetzelfde jaar of later kunnen dan hele stukken schors afvallen. Jongere bomen vertonen in stammen en takken grote en kleine bastscheuren en afgestorven plekken; ze kunnen geheel of gedeeltelijk afsterven of op de beschadigingen afbreken. De schade is niet alleen afhankelijk van de intensiteit en het tijdstip van de vorst, maar ook van de kloon en van de afmetingen van de boom. Klonen die enigszins gevoelig zijn voor late wintervorst, zijn o.a. ‘Heidemij’, ‘Serotina’ en de Italiaanse populier.

Waterhuishouding
Een sterke en plotselinge verlaging van de grondwaterstand, zoals bij het normaliseren van beken, het sterk uitdiepen van watergangen, maar ook bronbemaling bij de aanleg van bouwwerken, kan een ernstige stagnatie in de groei en zelfs het afsterven van bomen veroorzaken vanwege droogte. Maar ook een blijvende sterke verhoging van het grondwaterpeil, bijvoorbeeld door het dempen van sloten of een structurele verhoging in het kader van natuurbouwprojecten, kan dezelfde gevolgen hebben, maar dan door het ‘verzuipen’ van de dieper gelegen wortels. Indien een dergelijke verhoging alleen in de winter optreedt, bijvoorbeeld door een slechte waterafvoer, lijden de bomen geen schade, mits vroeg in het voorjaar weer een aanvaardbaar grondwaterpeil is bereikt. Ook overstromingen buiten de vegetatieperiode veroorzaken zelden schade aan de beplantingen. Gedurende de vegetatieperiode is de kans op schade als gevolg van waterstagnatie groter, maar wel sterk afhankelijk van het bodemtype, de tijdsduur van de overstroming en de leeftijd van de beplanting. Overstromingen in de winter gaan soms vergezeld van ijsgang. Hierdoor kunnen vooral jonge bomen zwaar worden beschadigd en zelfs afbreken. In ons land is ijsgang de afgelopen decennia echter een weinig voorkomend verschijnsel.

Op voor populieren geschikte groeiplaatsen komt schade door droogte alleen in extreme gevallen voor. Op gronden met een voor populier minder goede watervoorziening kan in een droogteperiode het blad geel worden en afvallen. Bij een zeer snelle verdroging verdorren de bladeren aan de bomen, waarna de jonge scheuten en takken insterven. De kans bestaat dat door daling van het vochtgehalte in de bast van de boom schorsbrand door de zwakteparasiet Cryptodiaporthe optreedt, waardoor de gevolgen van de droogte dan veel ernstiger zijn.

Andere bodemfactoren         
Naast waterstagnatie zijn ook andere oorzaken van zuurstofgebrek in de bodem, zoals het asfalteren van de plantspiegel, nadelig voor het functioneren van de boomwortels en dus voor de ontwikkeling van bomen.
Ook verdichting van de grond door onder andere verkeer of cultuurtechnische werkzaamheden heeft een nadelige invloed op de zuurstofdiffusie in de bodem en dus ook op een gezonde ontwikkeling van de bomen.

Luchtverontreiniging
Populieren zijn gevoelig voor luchtverontreiniging in de vorm van onder meer ozon en zwaveldioxide, waarbij ozon in het landelijk gebied meer speelt dan in het stedelijk gebied. Schade door luchtverontreiniging verloopt als regel via een tijd-dosis-effect relatie, waarbij soms sprake is van een versterkend effect door synergisme; hierbij is de schade door twee componenten gezamenlijk groter dan die van de componenten afzonderlijk. De concentratie van schadelijke stoffen in de lucht waarbij meetbare schade optreedt, en de tijd waarbinnen dan zichtbare schade optreedt, worden in de praktijk echter zelden bereikt en de concentraties nemen al decennia lang eerder af dan toe. Door luchtverontreiniging wordt in steden en industriegebieden in het algemeen dan ook geen zichtbare schade aan de populieren veroorzaakt en de schade is vrijwel altijd het gevolg van (onbedoelde) incidenten in de buurt van de bronnen die de gassen uitstoten.

Vee
Geiten, schapen, rundvee, pony’s en paarden kunnen aanzienlijke schade aanrichten. Bladeren, takken en bast worden van de bomen gevreten; hele beplantingen zijn ten gevolge daarvan verloren gegaan. Het weiden van dieren in jonge opstanden moet dan ook ten sterkste worden afgeraden, tenzij de bomen voldoende worden beschermd. Het is echter vaak een kostbare zaak om de bomen afdoende te beschermen. Ook kan door concentraties van vee onder bomen bodemverdichting, al dan niet in combinatie met ‘overbemesting’, plaatsvinden, wat een negatieve invloed heeft op de bodemluchthuishouding.

Na zeven à acht jaren is in goed gegroeide opstanden het houden van schapen zonder bescherming van de bomen echter wel mogelijk, want deze laten de stam van oudere bomen als regel met rust. Voor het weiden van rundvee moeten de beplantingen zeker tien à twaalf jaar oud zijn; alleen door schuren kan de bast van de bomen dan nog oppervlakkig beschadigd worden. Zonder intensief toezicht blijft het houden van pony’s en paarden ook in oudere populierenbeplantingen riskant. Vooral bij een tekort aan gras of bij een onvoldoende kwaliteit daarvan kunnen deze dieren door het afvreten en losscheuren van de bast niet alleen de waarde van de bomen sterk doen dalen, maar ze ook dodelijk beschadigen, met name wanneer de stammen door de vraat geheel worden geringd. Pony’s vreten de bast ook bij de wortelaanzet af, waardoor het gevaar van aantasting door de horzelvlinder en de wilgehoutrups toeneemt, alsmede de kans op aantasting door houtrot veroorzakende schimmels.

Beplantingen langs perceelsgrenzen kunnen tegen schade door vee worden beschermd door de afrastering op 1 à 1,5 m van de bomenrij te plaatsen. Uiteraard mag draad niet zodanig aan de bomen worden bevestigd dat dit ingroeit en het hout waardeloos maakt of op zijn minst de oogst (zagen) bemoeilijkt. In het algemeen kan worden gezegd dat voor het verkrijgen van neveninkomsten uit jonge, in weiland aangelegde populierenbeplantingen, exploitatie als hooiland de voorkeur verdient boven het weiden van vee. Omdat dit niet ten koste van de voeding van de bomen mag gaan, moet als eis worden gesteld dat gedurende en ook bij het beëindigen van de hooilandexploitatie, bemestingen worden gegeven zoals voor het hooiland normaal is. Hoelang in een beplanting hooiwinning mogelijk is wordt bepaald door de plantafstand en de groei van de bomen. Overigens zijn ook andere vormen van een onder- of tussenbeplanting met landbouwgewassen (zoals graan of mais) denkbaar. In Nederland wordt dit nog niet grootschalig toegepast, maar in het buitenland zijn daarmee in de korte omloopteelten al positieve ervaringen opgedaan.

Kleine knaagdieren
Van de kleine knaagdieren zijn de woelrat, de veldmuis en de aardmuis het belangrijkste. Het is niet zeker of ook de muskusrat, een wat groter knaagdier, schade bij populieren aanricht. Met de opkomst van de bever in de afgelopen jaren komt soms ook beverschade voor, maar dit is voorlopig nog beperkt tot incidenten.

Daar muizen en ratten hun schadelijke werk ondergronds of laag bij de grond verrichten, is men bij het constateren van de schade in de meeste gevallen al te laat. Als jonge bomen in het voorjaar niet of zeer slecht uitlopen, kan dit veroorzaakt zijn doordat de wortels door woelratten doorgeknaagd zijn of dat de bast door veld- of aardmuizen vlak boven en onder het maaiveld is afgevreten. Hierdoor kunnen beschadigde bomen ook later in het groeiseizoen nog plotseling verwelken en afsterven. Om de kans op schade te verkleinen is het noodzakelijk om vooral in de eerste jaren de plantspiegels onkruidvrij te houden. Een dichte onkruidvegetatie, maar ook het mulchen rondom jonge populieren, vergroot de kans op schade, onder meer omdat de muizen dan minder worden opgemerkt door predatoren zoals roofvogels. Soms vindt het wegvreten van de bast van stam en zijtakken plaats tot op meer dan 1,5 m hoogte. Dit wordt veroorzaakt door de rosse woelmuis. Soms door konijnen die die hoogte kunnen bereiken wanneer de boomspiegel is bedekt met een dikke laag bevroren sneeuw.

Wild
In wildrijke gebieden is de kans op beschadiging van een jonge aanplant door hazen, konijnen of reeën groot en bij de aanleg van de beplanting zullen hiertegen maatregelen moeten worden genomen, die de aanlegkosten aanzienlijk verhogen. Vooral reeën kunnen in jonge beplantingen serieuze schade aanrichten, zowel door vreten als vegen. Vraatschade aan eind- en zijscheuten komt voornamelijk voor in tijden van voedselgebrek. Veegschade aan de bomen vindt in het voorjaar en in de voorzomer plaats, wanneer de dieren de huid van de geweien vegen. Vooral jonge, buigzame populieren worden dan op een bepaalde hoogte van de bast ontdaan.

Reeën hebben enige voorkeur voor balsempopulieren of kruisingen daarmee. Hazen en konijnen prefereren zwarte populieren. Door deze dieren wordt voornamelijk de bast van de stammetjes afgeknaagd; in strenge winters, vooral als er veel sneeuw ligt, worden echter ook dikkere bomen niet ontzien. Ze bijten ook uiteinden van scheuten af, zonder deze als voedsel te gebruiken. De afgebeten scheuten, die anders dan bij reeënschade een glad snijvlak hebben, blijven dan bij de voet van de jonge bomen liggen.

Onvertakt éénjarig plantsoen wordt eerder en meer door wild beschadigd dan vertakt plantsoen, tenminste als hierbij de vertakking vlak boven de grond begint. Het beschermen van de jonge bomen kan met diverse materialen zoals gazen kokers of plastic manchetten worden uitgevoerd. Ook bestaan er middelen die op de stam kunnen worden gesmeerd en die de stam voor wild zoals konijnen onaantrekkelijk maakt. Uit metalen gaas vervaardigde kokers moeten regelmatig op ingroeien worden gecontroleerd en na enkele jaren worden verwijderd. Bij gebruik van kunststof is controle en verwijderen als regel niet nodig doordat de kokers door de diktegroei van de bomen vanzelf openspringen. De in de handel zijnde plastic manchetten en spiraalvormig gewonden kokers, zetten bij de groei van de bomen mee uit. Bij sterk vertakte éénjarige planten is het plaatsen van stambescherming uiteraard moeizamer en is het vooraf opsnoeien van de stam soms noodzakelijk.

Vogels
Vogels richten in populierenbeplantingen zelden schade aan. Schade door vogels bestaat voornamelijk uit top- en takbreuk. Spechten maken soms in oudere populieren holen, maar die bomen verkeren dan als regel toch al in een slechte conditie en hebben al vaak holtes in de stam als gevolg van aantasting door houtrot. Soms veroorzaken vogels, voornamelijk spechten, zgn. ringelsporen op de stam en dikker takken van jongere bomen. Dit zijn spiraalsgewijs verlopende rijen van pikgaatjes in de bast. De schade aan de boom is gering. Ook komt het voor dat spechten soms grotere gaten in de bast maken. Doorgaans zijn ze dan op zoek naar houtborende insecten en gaat het om bomen die (daardoor) al in een slechte conditie verkeren.

Vooral jongere beplantingen hebben soms van vogels te lijden. Zo kunnen kraaien en meeuwen op de topscheuten gaan zitten waardoor deze afbreken. Fazanten veroorzaken schade aan toppen en takken als ze hierop neervallen. Ook houtduiven beschadigen weleens jonge populieren, bijvoorbeeld wanneer ze hun snavel langs dunne zijtakken schoonvegen, waardoor deze kunnen afbreken. In het algemeen herstellen de bomen zich snel van vogelschade; in het geval van afgebroken toppen neemt meestal een zijscheut de functie van de topscheut over, maar is er wel een verhoogde kans op het ontstaan van dubbele toppen op geringe hoogte, waarop dan weer tijdig moet worden gecorrigeerd om de kwaliteit als werkhout te handhaven.

Schade als gevolg van teeltmaatregelen
In de tijd dat het gebruik van chemische onkruidbestrijdingsmiddelen nog een ‘vast’ onderdeel was van het teeltkundige beheer, kon het onoordeelkundig toepassen daarvan in populierenbeplantingen of in de directe omgeving nog wel eens ernstige gevolgen hebben; gezonde bomen kunnen hierdoor plotseling geheel of gedeeltelijk afsterven of zwaar worden beschadigd. Soms niet zozeer door het gebruik van deze middelen door de beheerder, maar ook wanneer middelen ‘overwaaiden’ vanuit belendende landbouwpercelen.   Wortelbeschadigingen komen voor bij mechanische onkruidbestrijding, zowel bij het schoonhouden van plantspiegels als bij het volledig bewerken van de grond; de gevolgen hiervan zijn echter voor de populieren minder ernstig, zolang slechts een oppervlakkige bewerking plaatsvindt. In wegbeplantingen wordt maaischade soms tegengegaan door het plaatsen van enkele zgn. anti-maaischadepaaltjes in de plantspiegel. Deze maatregel is echter nogal kostenverhogend bij de aanleg van een beplanting.

In pas aangelegde beplantingen kan het overmatig toepassen van een bemesting schade aanrichten. Zo doet menging van een snel verteerbare organische meststof, zoals nog gedeeltelijk niet gerijpte compost, met de grond in het plantgat een aanslag op het zuurstofgehalte in de bodem en kan in extreme gevallen dodelijk zijn voor de boom. Meestal kunnen de benodigde meststoffen ook breedwerpig worden toegepast en -hoogstens- licht worden doorgewerkt door de toplaag.  Het onoordeelkundig, doorgaans teveel in één keer, snoeien van populieren is ook een vorm van beschadiging. Naast de zichtbare nadelige gevolgen, zoals uitbundige waterlotvorming, resulteert te veel snoei als regel ook in aanwasverlies als gevolg van een te grote vermindering van de bladmassa. In het verleden werd weleens verondersteld dat het in een keer snoeien van een takkrans zou resulteren in een verzwakking van de stam en een verhoogde kans op stambreuk op deze plek. Bij een juiste snoeiwijze hoeft dit echter niet op te gaan. Maar desondanks is het in een aantal -hier niet nader uiteengezette- opzichten, niet verkeerd om takkransen gefaseerd te snoeien.

Schade door activiteiten die niet op de beplanting zijn gericht
Bij graafwerkzaamheden, zoals bij het leggen van leidingen en het verbreden van wegen, worden soms onnodig veel wortels afgehakt. Op smalle bermen betekent dit vaak het voortijdig einde van de wegbeplanting. Ook door het afbranden van de vegetatie gingen vroeger nog wel eens beplantingen verloren. Afhankelijk van de intensiteit van het vuur en de afmetingen van de stammen kunnen de bomen direct of na enkele jaren dood gaan. Niet-dodelijke beschadigingen kunnen invalspoorten voor houtboorders en houtrot veroorzakende schimmels zijn. Het afbranden van bermen wordt momenteel als beheermaatregel niet of nauwelijks meer uitgevoerd en wanneer het voorkomt gaat het als regel om onbedoelde incidenten.

Zout bij de bestrijding van gladheid, vooral overmatig gebruikt bij op- en afritten, veroorzaakt via de wortels soms ernstige schade, die na het uitlopen van de bomen zichtbaar wordt; het blad krijgt dan dorre bladranden of wordt geheel geel en sterft af, vaak het eerst in gedeelten van de kroon aan de wegzijde. Als door aanrijdingen of andere oorzaken grote wonden op de stam zijn ontstaan, rotten deze op den duur in, verzwakken het hout en verhogen het risico op breuk op de aangetaste plek. Behandeling met een -nog toegelaten- wondafdekmiddel heeft geen tot weinig effect om inrotten te voorkomen. Maar wél kan het in theorie aantasting door houtboorders tegengaan.

Er zijn in deze rubriek ook vormen van beschadigingen te onderscheiden die men gemakkelijk kan voorkomen. Vaak gaat het om voor de hand liggende zaken. Men kan in dit verband denken aan het feit dat bomen vaak als afrasteringspalen worden gebruikt, waarbij door het ingroeien van krammen en draad de houtkwaliteit in het onderste en meest waardevolle stamgedeelte sterk achteruitgaat. Ook worden bomen gebruikt voor het bevestigen van verbodsborden en andere aankondigingen, waarbij door het herhaaldelijk inslaan van spijkers de stam in waarde daalt. Tenslotte kan erop worden gewezen dat het snijden van initialen en andere aanduidingen in de stam evenmin bevorderlijk is voor de gezondheid van de boom, met name wanneer daarbij tevens het onderliggende hout wordt beschadigd. Men mag echter in het algemeen wel stellen dat met de toenemende kennis over bomen en boomverzorging bij onder meer boombeheerders -denk bijvoorbeeld aan de huidige inzichten in de juiste methode van snoei- het (onbedoeld) aanrichten van schade minder frequent voorkomt dan vroeger.

Overige bedreigingen (Fotot: Gijs van Tol)