Tijdens de Voorjaarsvergadering van de KNBV werd de gesproken column verzorgd door Bart Nyssen.
Goede ochtend collega’s
Ik mag jullie 8 minuten prikkelen tot nadenken.
Ik ga het niet over de wolf hebben, een diersoort die we als inheems classificeren en daarom enthousiast ontvangen niettegenstaande de maatschappelijke overlast. Hoe anders kijken we tegen de wasbeer aan, waar niemand last van heeft en die ecologisch effecten heeft die we kennen van de vos of van marters. Ik zou zeggen dan beheren we de wasbeer toch zoals we vossen of marters beheren. Maar dat blijkt een brug te ver.
Blijkbaar is er een soorteigenschap die we ‘exoot’ noemen en die ertoe leidt dat uitheemse soorten zich anders gedragen dan inheemse. Laat ons dat van iets dichter bij bekijken aan de hand van boomsoorten.
De vraag die ik me stel is of een zeer ervaren bosecoloog, zonder voorkennis van de herkomst van de boomsoorten, van een boomsoort kan zeggen ‘die is uitheems en die is inheems’.
Laten we eens beginnen met de mispel (Mespilus germanica). Deze wordt algemeen als inheems beschouwd en staat op de Rode Lijst. De mispel komt echter oorspronkelijk uit de Kaukasus. De Assyriërs verspreiden de boom naar Turkije en de Grieken en Romeinen over middellandse zeegebied. In de middeleeuwen werd de mispel bij ons aangeplant. Dus: inheems of uitheems?
Ik laat beknopt de eigenschappen de revue passeren waarmee we denken inheems en uitheems te kunnen onderscheiden.
Kunnen we op basis van invasief gedrag, snelle en intensieve verspreiding, een zeeden onderscheiden van een grove den of een ratelpopulier van een robinia? Nee dus, als we de afkomst niet kennen zien we bij alle vier pioniergedrag.
Uitheemse bomen wordt een negatieve invloed op bodem en strooiselafbraak verweten. Amerikaanse vogelkers wordt als ecosysteem engineer verfoeid omdat die de bodem verrijkt en daarmee de groeiplaats verandert. Terwijl Amerikaanse eik verwijderd moet worden omdat die de bodem verzuurt, net als zomereik en beuk. Hier hoeven we niet lang bij stil te staan, we kennen de invloed die strooisel van boomsoorten op de bodem kan hebben. Dat heeft niets met exoot zijn te maken.
Invasieve boomsoorten wordt een verminderde lichtbeschikbaarheid op de bosbodem verweten. Wie heeft er al eens onder grove den in dichte fase gekeken? Donker toch, daar groeit helemaal niks. Typische voor invasieve boomsoorten is hun pionier-karakter. De duisternis in dichte fase gaat veel sneller voorbij dan bij schaduwboomsoorten. Zoals onder de beuk, donker tot in de boomfase.
Nieuwe boomsoorten wordt een afname van soortenrijkdom verweten door weinig relaties met andere organismen en door allopathie. Steeds weer duikt de vergelijking op waarbij gezegd wordt dat op Amerikaanse eik zeven soorten leven en op zomereik vijfhonderd. Lokaal onderzoek laat zien dat er voor verschillende insectengroepen inderdaad iets minder soorten, zo’n 80%, leven op Amerikaanse eik dan van op zomereik. Maar vaak wel meer dan op beuk.
En als je de groep ‘inheemse bomen’ vergelijkt met ‘uitheemse bomen’ zijn er inderdaad inheemse boomsoorten waarmee meer soorten samenleven, maar net zo goed inheemse bomen waar weinig mee samenleeft. Amerikaanse vogelkers blijkt in Europa waardplant te zijn voor 178 insecten. sleedoorn voor 135, lijsterbes voor 58, jeneverbes voor 32 en hulst voor maar 10 insectensoorten. Het aantal soorten waarmee een boomsoort samenleeft is dus geen criterium waarmee je exoot van inheems kan onderscheiden.
Allopathie, de invloed van planten op andere door uitscheidingen, uit strooisel of wortels, was ooit een hype als het om exotische planten gaat. Intussen wordt allopathie, opnieuw, als een normale planteneigenschap gezien en vele onderzoeken tonen aan dat de allopathische werking van inheemse boomsoorten even groot (of groter) is dan van niet-inheemse.
Ook is er wereldwijd geen bewijs dat er soorten uitgestorven zijn door vestiging van exotische planten, en dus ook niet door bomen. Alle voorbeelden van uitsterven door uitheemse soorten komen van predatoren en dan nog op eilanden.
Biotic homogenisation is de veronderstelling dat alle bossen er hetzelfde uit gaan zien, hetgeen zou leiden tot minder diversiteit. Wordt ook wel of McDonaldisering genoemd. Allereerst gaan bossen er niet hetzelfde uitzien omdat er óók relatief nieuwe boomsoorten bij staan. Wat men ervaart als biotic homogenisation is vooral een effect van plantages, grote oppervlakte van hetzelfde, zoals bij ons tot enkele decennia geleden de dennen plantages, of in Spanje de eucalyptus plantages. Het lijkt er erg op dat wat biotic homogenisation genoemd wordt meer een ‘erfgoed’-probleem is dan een ecologisch probleem. We hechten aan het bekende en zijn bang dat dit verandert. Maar als er bij ons al een boomsoort voorkomt die leidt tot homogenisering van bossen, dan is het wel de beuk.
Invasional meltdown is niet iets waarover we hier in Nederland vaak iets horen, in de internationale literatuur wel. Dat is het idee dat als zich eenmaal exoten vestigen deze de vestiging van andere exoten bevorderen, hetgeen zou leiden tot disfunctioneren van het ecosysteem. Er is geen aanwijzing dat exotische boomsoorten andere exoten aantrekken. Wel is het zo dat invasieve boomsoorten zich als pionierboomsoorten in verstoorde situaties vestigen. En inderdaad, van deze verstoring maken ook andere invasieve soorten gebruik. De aanwezigheid van exoten is het gevolg van de verstoring niet de oorzaak.
Na dit overzicht blijft ons de ramp van hybridiseren over. Boomsoorten kruisen met elkaar: winter- en zomerlinde doen dat al net zo lang als ze hier voorkomen. De succesvolle Hollandse linde is daar een voortvloeisel van. Zomer- en wintereik zijn ook meer als één soort dan als twee te beschouwen. Die doen het voortdurend met elkaar. Wetenschappers spreken dan ook eerder van een eikengroep, waarin naast vele hybridevormen ook de typische zomer- en wintereik bestaan. Ook de meer zuidelijke donzige eik (Quercus pubescens) is tot in Zuid-België onderdeel van deze eikengroep. Die kruist daar rustig met zomer en wintereik en toch blijven de drie vormen herkenbaar. Waarom zou hybridiseren dan bij ons een probleem zijn?
Als we hybridiseren evolutionair bekijken hebben we het hier over normaal soortengedrag. Dit is onderdeel van het ontstaan van nieuwe soorten. Zo zijn wij hier allemaal hybriden, met een groot aanpassingsvermogen. De laatste hybridisering die we ondergaan hebben is het gevolg van een Sapiens en een Neanderthaler die zo nodig samen het bed in moesten duiken.
Daarmee kom ik tot de conclusies:
- Dat alle boomsoorten van elkaar verschillen, maar zonder voorkennis van afkomst uitheemse boomsoorten niet te onderscheiden zijn van inheemse.
- Het lijkt erop dat we de huidige stand van de evolutie als optimaal beschouwen en krampachtig trachten in stand te houden, terwijl de evolutie gewoon doorgaat, met of zonder ons.
- De aanwezigheid van ‘uitheemse’ boomsoorten kan strijdig zijn met voorgenomen beheerdoelen, omdat we deze definieerden zonder deze soorten. Maar dat zijn door mensen geformuleerde, dus culturele, doelen. Dat zegt niets over ecologisch functioneren.
- Dus noem het beestje bij zijn naam: zeg niet ecologisch probleem als je culturele voorkeur bedoelt.