Veerkracht

KNBV

Veerkrachtige bossen

Aanleiding

Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw (zure regen) is bij bosbeheerders het besef doorgedrongen dat bossen meer dan voorheen bedreigd worden in hun voortbestaan. Milieuvervuiling, klimaatverandering en voor bos ongunstig waterbeheer leiden onder meer tot verzuring, vermesting en verdroging van de bosbodem.  Mede door versnippering van het Nederlandse bos treden deze effecten in al onze bossen op. Daardoor worden ‘klassieke’ aantastingen door (schimmel)ziekten en (insecten)plagen ernstiger. Ook verschijnen er nieuwe bedreigingen zoals bijv. Essentaksterfte (Hymenoscyphus fraxineus).

In bijv. Duitsland zijn op grote schaal fijnsparbossen afgestorven. Ook in ons land sterven fijnspar- en lariksbossen en is het vooruitzicht voor bossen met beuk of grove den ongunstig. Hoewel de oorzaken bekend zijn, slaagt de politiek er niet in adequate maatregelen te treffen om de oorzaken weg te nemen of op zijn minst sterk te verminderen.

Bosbeheerders zullen dus zelf het risico moeten verkleinen dat bos over grotere oppervlaktes in zijn geheel afsterft door de veerkracht van het Nederlandse bos te vergroten. Het gaat hierbij in feite om risicomanagement. Het risico is de kans dat iets gebeurt in combinatie met het effect ervan. De kans dat fijnspar van ca. 40 jaar afsterft is groot, maar als fijnspar slechts 1% van het bos beslaat is het effect beperkt en het risico dus niet zo hoog. Dat is uiteraard anders als het bos voor 75% uit fijnspar bestaat. Hoofdstuk 4 van  de landelijke Bossenstrategie (2020) gaat in zijn geheel over (het realiseren van) vitaal  bos.

Het gaat bij de veerkracht van bossen niet (op de eerste plaats) om het overleven van afzonderlijke boomsoorten maar van het bos als geheel (ecosysteem).

Ook het tijdsaspect is belangrijk. Als we het aan de natuur overlaten zal zelfs op de plaats van een volledig afgestorven bos uiteindelijk nieuw bos ontstaan. Alleen kan dat lang duren – langer dan een mensenleven – en bestaat de kans dat het nieuwe bos niet voorziet in alle gewenste maatschappelijke functies.

In relatie tot bos verstaan we onder veerkracht het vermogen van het bos om zodanig te reageren op veranderende omstandigheden of verstoringen dat essentiële kenmerken (van het bos als geheel) behouden of snel hersteld worden.

Er zijn verschillende manieren om de veerkracht van een bos te vergroten en het beter bestand te maken tegen verstoringen zoals klimaatverandering, plagen en ziekten.

  1. Verbeteren van de groeiplaats

  2. Gemengd bos 

  3. Duurzaam bosbeheer 

  4. Beheer van soorten

  5. Bosuitbreiding 

  6. Educatie en betrokkenheid 

Deze onderwerpen zijn hieronder kort uitgewerkt. 

1. Verbeteren van de groeiplaats

Dit betreft vooral bodem en waterhuishouding en vormt de basis voor een vitaal en veerkrachtig bos. De zuurgraad (pH) van verzuurde bodems kan verbeterd worden door kalk, schelpengruis of steenmeel. Steenmeel voegt naast calcium ook andere voedingsstoffen toe. 

Diepwortelende boomsoorten brengen mineralen wat dieper uit de bodem via hun strooisel aan de oppervlakte. Strooiselvertering is belangrijk voor het bodemleven en watervasthoudende vermogen van (zand)gronden. Daarom zijn boomsoorten met goed verterend blad – rijkstrooiselsoorten – belangrijk voor de veerkracht van bossen

 

De waterhuishouding wordt bij voorkeur op landschapsecologische schaal geregeld aansluitend bij het natuurlijke regime (vrij hoog in het voorjaar en uitzakkend tegen het eind van de zomer). Dit is echter de verantwoordelijkheid van het waterschap. 

Voor bos is het belangrijk dat het peilbeheer constant is binnen een seizoensafhankelijke bandbreedte. Bij bossen die onder vrij verval afwateren verdient het aanbeveling de afhankelijkheid van actief beheer zo klein mogelijk te houden.

2. Gemengd bos

Zorg voor een gevarieerde samenstelling en leeftijdsopbouw van boomsoorten en ondergroei. Ook genetische variatie binnen een boomsoort is belangrijk. Dat is een voordeel van autochtoon plantmateriaal ten opzichte van selecties van de rassenlijst, die vooral op basis van fysieke kenmerken zijn geselecteerd (groei en vorm). Inheems plantmateriaal dat autochtoon is in een gebied dat nu al ons toekomstige klimaat heeft (midden Frankrijk of zuidelijk Turkije) is eveneens genetisch gevarieerd en al beter aangepast aan ons toekomstige klimaat. Ook niet inheemse soorten (exoten) kunnen bijdragen aan een grotere veerkracht van onze bossen, maar dit vergt een zorgvuldige aanpak vanwege risico’s voor biodiversiteit (invasief gedrag, nieuwe ziekten en plagen, hybridisatie en synchronisatie uitlopen/bloei e.d.). Ze dienen niet in bos met hogere natuurwaarden (b.v. habitattypen of oude groeiplaatsen met autochtone bomen) toegepast te worden. De klimaatverandering is echter dermate ingrijpend dat het introduceren van soorten uit het zuiden of midden van Europa als bijv. elsbes, boomhazelaar,  tamme kastanje en gewone zilverspar in overige bossen onvermijdelijk is voor vitale bossen in de toekomst. Na een gedegen risicobeoordeling kunnen ook boomsoorten van buiten Europa zoals Zwarte walnoot en Atlasceder een nuttige aanvulling vormen

Bijmenging van loofhout in naaldhoutbossen of loofhoutsingels verminderen het risico op bosbrand.

3. Duurzaam bosbeheer

Maak gebruik van natuurlijke processen zoals spontane/natuurlijke verjonging en natuurlijke selectie. In principe overleven de individuen die het best bij de betreffende groeiplaats onder de hedendaagse omstandigheden passen (survival of the fittest). Onder de beschutting van afstervend bos vindt vaak al spontane verjonging plaats waardoor het bos zichzelf herstelt. Dit garandeert echter niet dat meteen een gevarieerde samenstelling van boomsoorten ontstaat en evenmin dat deze individuen goed zijn opgewassen tegen het toekomstige klimaat (bijv. massale verjonging van douglas). Soorten die in de jeugd meer licht nodig hebben moeten wellicht geholpen worden. Ook is spontane verjonging geen garantie dat hiermee de gewenste maatschappelijke functie van het bos gerealiseerd wordt. 

Probeer bij boswerkzaamheden bodembeschadiging en -verdichting zo veel mogelijk te voorkomen en pas geen grootschalige kap toe.  Open plekken voegen daarentegen habitats toe aan een bos en leiden tot meer biodiversiteit zoals pioniersoorten van bomen, kruidachtigen en veel diersoorten zoals struweelvogels, vleermuizen en  bosmieren.

4. Beheer van soorten

Dit omvat twee sporen; het beheer van inheemse fauna die (natuurlijke) verjonging belemmeren en het bestrijden van invasieve plant- en diersoorten. Grote en kleine grazers kunnen door hun vraat er voor zorgen dat jonge boompjes niet overleven. Dit geldt in het bijzonder voor de lekkere rijkstrooisel soorten, die voor de veerkracht van het bos juist van belang zijn.

Sommige soorten krijgen daardoor geen kans zich te verjongen waar de wilddruk hoog is (b.v. lijsterbes, boswilg, inheemse eik) en moeten geholpen worden door wildbeheer en/of rasters.

Invasieve soorten kunnen de lokale biodiversiteit bedreigen en de veerkracht van een bos verminderen.

5. Bosuitbreiding

De overheid streeft naar een uitbreiding van de oppervlakte bos in Nederland met 37400 ha in 2030. Dat nieuwe bos kan ook bijdragen aan de veerkracht van bestaand bos door bestaande (kleinere) bossen te vergroten. Grotere bossen zijn minder gevoelig voor externe invloeden dan kleine bosjes terwijl de overige voordelen van bosuitbreiding (CO2-vastlegging, biodiversiteit) even goed of beter gerealiseerd worden.

6. Educatie en betrokkenheid

Veel burgers zijn betrokken bij het bos in hun omgeving. De uitvoering van boswerkzaamheden roept regelmatig weerstand op. Die betrokkenheid weerspiegelt het belang van bos voor de samenleving. Betrek daarom de lokale gemeenschap en educatieve instellingen bij bosbeheer. Bewustwording en betrokkenheid kunnen leiden tot betere bescherming en zorg voor het bos en klimaatbewustzijn in het algemeen.